Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:487

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
23/3475 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid ondanks PTSS en emotie-regulatieproblemen

Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met psychische klachten, maar het UWV weigerde deze omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant stelde dat hij meer medische beperkingen had, waaronder PTSS en een emotie-regulatiestoornis, en kon daardoor de geselecteerde functies niet vervullen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de medische beoordeling van het UWV, inclusief aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), voldoende rekening hield met de beperkingen van appellant. De rechtbank vond dat de medische informatie en wetenschappelijke stukken geen aanleiding gaven tot een ander oordeel.

In hoger beroep benoemde de Raad een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die na dossieronderzoek concludeerde dat de FML van 11 mei 2022 een juiste weergave is van de beperkingen en dat er geen medische grond is voor een urenbeperking. De Raad volgde deze deskundige en oordeelde dat de gedragingen van appellant, zoals woede-uitbarstingen en vernielingen, geen medische beperkingen zijn maar gedragingen die in de beoordeling zijn meegenomen.

De Raad bevestigde dat het UWV terecht geen WIA-uitkering toekent omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De medische problematiek is erkend en vertaald in passende beperkingen, maar binnen een beschermde werkomgeving kan appellant functioneren. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen WIA-uitkering krijgt omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/3475 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2023, 22/3098 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 13 maart 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Berkel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 augustus 2024. Voor appellant zijn verschenen zijn advocaat mr. Berkel en de reclasseringsmedewerkster [naam reclasseringsmedewerker] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Breevoort.
Het onderzoek is geschorst. De Raad heeft verzekeringsarts drs. M. Vervoort als onafhankelijke deskundige benoemd. De deskundige heeft op 18 april 2025 een rapport uitgebracht.
Beide partijen hebben een zienswijze op het rapport van de deskundige ingediend.
Op 29 september 2025 heeft de deskundige een nader rapport uitgebracht waarin zij heeft gemotiveerd dat de zienswijze van appellant geen aanleiding geeft voor een ander oordeel.
De Raad heeft de zaak opnieuw behandeld op een zitting van 11 maart 2026. Voor appellant is verschenen mr. Berkel en mevrouw [naam reclasseringsmedewerker] . Het Uwv is met bericht van verhindering niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als isolatiemedewerker voor gemiddeld 24,67 uur. Op 15 maart 2020 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 februari 2022. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 9 februari 2022 geweigerd appellant met ingang van 13 maart 2022 een WIAuitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 7 juni 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien de FML aan te passen op het item samenwerken en heeft op 11 mei 2022 een nieuwe FML opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft een functie laten vervallen en nieuwe functies geselecteerd. Hij heeft geconcludeerd dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Tijdens de procedure in beroep is appellant alsnog gezien op een spreekuur door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het medisch onderzoek heeft geen aanleiding gegeven om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
1.4.
Het Uwv heeft bij besluit van 20 juli 2023 aan appellant met ingang van 11 juli 2023 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat bij appellant op de datum in geding sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid op medische gronden vanwege geen benutbare mogelijkheden. Naar het oordeel van de rechtbank is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inzichtelijke wijze toegelicht dat in de FML in voldoende mate is onderkend dat appellant explosief kan reageren, door het opnemen van beperkingen voor het uiten van eigen gevoelens, samenwerken en leidinggeven. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is er bij een explosieve stoornis geen verband bekend tussen een geluidsbelasting en agressieve uitbarstingen. Het niet kunnen accepteren van gezag is evenmin een kenmerk van een explosieve stoornis. Verder is in de FML in voldoende mate onderkend dat appellant explosief kan reageren, door het opnemen van beperkingen voor het uiten van eigen gevoelens, samenwerken en leidinggeven. Ook is in de FML rekening gehouden met stressfactoren voor appellant, door beperkingen aan te nemen voor deadlines en productiepieken, hoog handelingstempo in werk en doordat is aangegeven dat het werk in grote lijnen voorspelbaar dient te zijn en dat appellant niet kan omgaan met onverwachte omstandigheden. Een werkomgeving die aan de in de FML gestelde eisen voldoet is dan ook stabiel en rustig. De rechtbank heeft overwogen dat uit de e-mail van 30 juni 2023 van de gemeente Rotterdam, geen medische informatie naar voren komt waaruit blijkt dat de onderzoeken van de verzekeringsartsen onjuist of onvolledig zouden zijn en dat meer beperkingen aangenomen hadden moeten worden. Deze brief zorgt niet voor twijfel aan de medische beoordeling. Dit geldt ook voor de verwijzing naar wetenschappelijk onderzoek op de zitting van 21 november 2023. Dit wetenschappelijk onderzoek betreft de problematiek in zijn algemeenheid en bevat geen concrete medische informatie over de situatie van appellant zelf. De toekenning van een uitkering op grond van de Wet WIA per 11 juli 2023 maakt evenmin dat getwijfeld dient te worden aan het medisch onderzoek. Het medisch onderzoek van 14 juli 2023 ziet niet op de datum in geding in de onderhavige procedure. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd dat er geen medische noodzaak aanwezig is tot het aannemen van een urenbeperking. De rechtbank heeft het beroep van appellant op het Korošec-arrest van 8 oktober 2015 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens [1] afgewezen. Daartoe is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017, [2] overwogen dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek en toereikend is gemotiveerd. Appellant heeft voldoende gelegenheid gehad om in bezwaar en beroep medische gegevens in te brengen. Van een schending van het beginsel van equality of arms is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank heeft ook inhoudelijk geen aanleiding gezien een deskundige te benoemen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft zijn standpunt herhaald het Uwv een onjuist beeld heeft van de ernst van zijn problematiek. Appellant heeft daarbij ook gewezen op de noodzakelijke begeleiding vanuit Reclassering Nederland door mevrouw [naam reclasseringsmedewerker] . Deze begeleiding ziet op eerder opgelopen trauma's, onder andere door de wijze waarop de detentie van appellant is verlopen. Appellant is ernstig geschaad als gevolg van zijn traumatische detentie. Appellant moet dagelijks gekalmeerd worden en worden gerustgesteld. Ten tijde van de hoorzitting in bezwaar was de situatie van appellant slecht. Er waren vernielingen aangebracht in de woning waarvan foto's zijn genomen die tijdens de hoorzitting door de begeleidster zijn getoond. De foto's tonen de ernst van de situatie aan: appellant vernielt zijn eigen meubilair. Appellant heeft verwezen naar een bericht van de klinisch psycholoog L.B. Paul van 11 januari 2023. Deze bevestigt dat sprake is van nachtmerries en traumagerelateerde klachten. Bij appellant is sprake van PTSS als gevolg van de reeds omschreven detentieperiode Daarbij is ook sprake van vroegkinderlijke fysieke mishandeling door vader tussen het 3e en 16e levensjaar. Het Uwv was bekend met deze informatie maar heeft deze niet op juiste waarde geschat. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de in de beroepsfase ingezonden wetenschappelijke informatie over zijn diagnostiek niet tot een ander oordeel leidt omdat dit slechts iets zegt over klachten in algemene zin. De rechtbank had juist, gezien de toelichting vanuit de begeleidster en de foto's, tot de conclusie moeten komen dat de klachten in algemene zin worden bevestigd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het deskundigenonderzoek
5. Gelet op de door de hulpverleners en de huisarts gerapporteerde situatie en de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv per 13 maart 2022 en per 11 juli 2023, heeft de Raad het noodzakelijk geacht te worden geadviseerd door een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige. De deskundige is op instigatie van de gemachtigde van appellant verzocht te overwegen of zij het noodzakelijk achtte appellant op te roepen voor het onderzoek of dat een beoordeling op basis van alle beschikbare zou volstaan. Na bestudering van het dossier heeft de deskundige besloten dat een spreekuurcontact niet van doorslaggevende waarde is en het onderzoek op basis van de stukken verricht. Gemachtigde van appellant werd hierover vooraf telefonisch geïnformeerd. De deskundige heeft vastgesteld dat op 13 maart 2022 de medische diagnose PTSS is gesteld. Naast deze medische diagnose heeft de deskundige uit de niet-medische stukken, waaronder de verklaringen van de reclassering, afgeleid dat er sprake is van een emotieregulatieprobleem/stoornis. Hiermee dient rekening te worden gehouden in de FML per 13 maart 2022. De deskundige heeft geconcludeerd dat, met inachtneming van de medische informatie en de objectieve beperkingen die voortvloeien uit de vastgestelde medische problematiek, appellant per 13 maart 2022 belastbaar is zoals in de FML van 11 mei 2022 is vastgelegd. De deskundige heeft geen medische grond gezien voor het toekennen van een urenbeperking.
5.1.
Appellant heeft in een reactie op het deskundigenrapport gesteld dat het rapport geen recht doet aan de onderliggende informatie en dat de onderliggende conclusies en bevindingen niet stroken met de aanwezige informatie omtrent de situatie en achtergrond van appellant. Appellant heeft, met stukken onderbouwd, aangegeven dat het structureel slecht gaat. Dit volgt ook uit de (medische) informatie in het dossier. Zo is sprake van woede-uitbarstingen waarbij hij ook vernielingen binnenshuis pleegt. Hiervan zijn door de begeleidend reclasseringsmedewerkster ook foto's aangedragen. Het destructieve gedrag van appellant valt te classificeren als disfunctioneren in de thuissituatie. Deze informatie ten aanzien van de vernielingen komt in het rapport van de deskundige niet, althans onvoldoende, terug. De deskundige gaat volstrekt voorbij aan het feit dat sprake is van een fragiele situatie, en dat deze situatie fragiel is terwijl appellant niet eens werkt. Indien appellant aanvullende verplichtingen en druk opgelegd krijgt en verplicht zal worden werkzaamheden te verrichten, wordt dit evenwicht verstoord. De deskundige heeft hier onvoldoende onderzoek naar gedaan. Zo is de medewerkster van de reclassering nimmer bevraagd naar haar ervaringen met appellant. Gelet op haar expertise met (ex-)gedetineerden en de kennis die zij draagt over appellants achtergrond, was hier wel alle reden en aanleiding toe. Door het Uwv wordt erkend dat sprake is van een periodiek explosieve stoornis, terwijl de deskundige lijkt uit te gaan van 'gedrag', wat suggereert dat appellant daar controle over moet hebben. Maar kenmerkend voor deze stoornis zijn episodes waarin de betrokkene niet in staat is weerstand te bieden aan zijn eigen agressieve impulsen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant verwezen naar een wetenschappelijk artikel met als titel ‘De periodieke explosieve stoornis: richtlijnen voor de behandeling’. [3]

Het oordeel van de Raad

6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
6.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
6.2.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijk, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het rapport van 18 april 2025 van de deskundige drs. Vervoort geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft kennisgenomen van alle beschikbare (medische) informatie van de behandelaars en hulpverleners van appellant, waaronder de verklaringen van de medewerkster van de reclassering [naam reclasseringsmedewerker] , het Hoofd Zorg- en Veiligheidshuis Rotterdam-Rijnmond Van der Well en van de klinisch psycholoog Paul. Op basis van de stukken heeft de deskundige overtuigend gemotiveerd dat de informatie over de bij appellant bestaande PTSS en de emotie-regulatieproblematiek geen aanleiding geeft om op de datum in geding van 13 maart 2022 meer beperkingen aan te nemen dan vastgelegd in de FML van 11 mei 2022. De conclusies van de deskundige worden onderschreven.
6.3.
De zienswijze van appellant geeft geen aanleiding het oordeel van de deskundige niet te volgen. In reactie op de zienswijze van appellant heeft de deskundige in haar nadere rapport van 29 september 2025 gesteld dat woede-uitbarstingen en vernielingen gedragingen zijn en geen medisch objectiveerbare aandoening. Uit zowel medische als nietmedische informatie blijkt dat appellant zich in normale situaties wel degelijk adequaat kan gedragen, bijvoorbeeld bij het zelfstandig doen van boodschappen. Deze gedragingen zijn niet passend bij, noch voortvloeiend uit een psychiatrische diagnose of geobjectiveerde medische problematiek. Dat een medewerkster van de reclassering hiervan observaties heeft gedaan, verandert dit niet: haar vaststellingen betreffen gedrag, geen medische beperkingen, aldus de deskundige. Daarbij wordt het bestaan van een fragiele situatie erkend en is deze zowel in de primaire beoordeling als in bezwaar onderkend. Om die reden zijn reeds meerdere beperkingen op sociaal en persoonlijk functioneren toegekend. Juist deze beperkingen beschermen appellant tegen situaties die hem zouden kunnen uitlokken tot ongewenst gedrag. De kwetsbaarheid is daarmee volledig verdisconteerd in de vastgestelde belastbaarheid. Moeite met gezag, voortvloeiend uit negatieve ervaringen in detentie, is geen medische ziekte. Hoewel psychische problematiek bij appellant erkend is en de diagnoses zijn meegewogen, bestaat er geen medische noodzaak om te concluderen dat betrokkene niet kan functioneren in een beschermde werkomgeving. Binnen een setting waar rekening wordt gehouden met de reeds gestelde beperkingen op sociaal en persoonlijk vlak, is functioneren wel degelijk mogelijk. De deskundige heeft appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat is verzuimd om de medewerkster van de reclassering te betrekken. Het deskundigenonderzoek berust op de beschikbare medische informatie vanuit de behandelende sector en de rapportages van het Uwv, die leidend zijn voor de beoordeling. Een reclasseringsmedewerker kan een ondersteunende rol hebben in begeleiding, maar beschikt niet over de medische expertise om diagnoses te stellen of beperkingen objectief vast te leggen. De medische diagnoses zijn per datum in geding duidelijk en navolgbaar beschreven en vormen de basis voor de beoordeling. Alle punten die van de kant van appellant zijn aangedragen, zijn in de beoordeling gewogen en ondervangen. De medische problematiek is erkend en vertaald in passende beperkingen. Gelet op de deugdelijk onderbouwde motivering van de deskundige concludeert de Raad dat er geen aanleiding is om de deskundige niet te volgen in haar conclusies in de rapporten van 18 april 2025 en 29 september 2025. Het door appellant ingezonden artikel over de periodieke explosieve stoornis leidt evenmin tot twijfel aan de conclusies van de deskundige. Aan dergelijke stukken van algemene aard kunnen geen conclusies worden verbonden over de belastbaarheid van appellant. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de FML van 11 mei 2022 een juiste en volledige weergave bevat van de medische beperkingen van appellant op 13 maart 2022.
Arbeidskundige beoordeling
Uitgaande van de juistheid van de FML van 11 mei 2022 kan het Uwv worden gevolgd in zijn standpunt dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt zijn.

Conclusie en gevolgen

6.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) G.T. Hunsel

Voetnoten

1.EHRM 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212 (Korošec).
2.CRvB 30 juni, ECLI:NL:CRVB:2017:2226.
3.Bernard, J., Appelo, M., Scholing, A. & Kok, F. (2003). De periodieke explosieve stoornis: richtlijnen voor de behandeling. Dth: Kwartaalschrift voor directieve therapie en hypnose, 23(1), 924.