Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:486

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
23/1401 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 Wet WIAArt. 56 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar geen WIA-uitkering toe te kennen, omdat haar arbeidsongeschiktheid volgens het UWV minder dan 35% bedraagt per 18 september 2020. Appellante stelt dat zij meer medische beperkingen heeft dan het UWV heeft vastgesteld, onderbouwd met rapporten van een psychiater en een multidisciplinair expert.

De rechtbank heeft het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen objectieve medische onderbouwing was voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De Centrale Raad van Beroep heeft een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige benoemd, die concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn voor een toename van beperkingen per datum in geschil en dat de beperkingen reeds adequaat in de Functionele Mogelijkhedenlijst zijn verwerkt.

De Raad volgt het deskundigenrapport en oordeelt dat het UWV terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/1401 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 maart 2023, 22/1664 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellante geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van 18 september 2020 onveranderd minder dan 35% is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G.A.M. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 januari 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeijer.
Het onderzoek is heropend na de zitting en partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft drs. M. Roos-Vervoort, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 28 mei 2025 rapport uitgebracht. Partijen hebben daarop gereageerd.
Namens appellante is een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting is op 11 maart 2026 voortgezet. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeijer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als telefoniste voor 30,5 uur per week. Op 23 augustus 2010 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten en rugklachten. Bij besluit van 29 augustus 2012 heeft het Uwv appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 20 augustus 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van haar arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%. Per 20 juli 2014 is de uitkering gewijzigd naar een WGA-loonaanvullingsuitkering. De WIA-uitkering is per 17 december 2017 beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft het bezwaar tegen het beëindigingsbesluit gegrond verklaard in die zin dat de WIAuitkering als gevolg van een nieuwe functieselectie is beëindigd per 10 juni 2018.
1.2.
Appellante heeft zich op 23 april 2021 bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten met ingang van 18 september 2020. Ter onderbouwing van haar toegenomen klachten heeft appellante gewezen op een in het kader van de Participatiewet opgesteld rapport van Argonaut van 18 september 2020. Naar aanleiding van de aanvraag van appellante heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellante neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 juli 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 28 juli 2021 geweigerd appellante met ingang van 23 april 2021 een WIAuitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Bij besluit van 2 februari 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen een nieuwe FML van 1 februari 2022 en rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Ter zitting van de rechtbank zijn partijen het erover eens geworden dat 18 september 2020 de datum in geding is. Volgens de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig verricht. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd waarom hij de beperkingen die in het rapport van Argonaut worden aangenomen niet heeft overgenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daartoe gesteld dat het rapport van Argonaut geen nieuwe medische gegevens bevat waarmee een toename van de klachten kan worden onderbouwd. De door Argonaut aangegeven urenbeperking kan conform de WIAbeoordeling niet gevolgd worden. De rechtbank heeft, zonder afbreuk te willen doen aan de door appellante ervaren impact van haar klachten op het dagelijks leven, opgemerkt dat er geen medisch objectieve onderbouwing is voor verdergaande beperkingen op 18 september 2020. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft beslist dat appellante op 18 september 2020 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geen recht heeft op een WIA-uitkering. Omdat de rechtbank geen twijfel had aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om een onafhankelijk deskundige te benoemen, zoals appellante heeft verzocht.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat de urenbeperking zoals is vastgesteld door Argonaut niet bij de beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv is betrokken. De verzekeringsarts heeft ten onrechte de psychische klachten van appellante als nieuwe klachten geduid, omdat die zouden zijn ontstaan door privégebeurtenissen. Appellante ervaart echter stress vanwege haar ADHD en Raynaud syndroom in combinatie met het door de lichamelijke klachten veroorzaakte slechte slapen en gebroken nachten. Appellante is genoodzaakt bijna iedere dag een paar uur te rusten in de middag. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een ‘analyse verslag medisch’ van 22 maart 2024 ingezonden van psychiater Y. Baoutou en Multidisciplinair Expertise Analist (MEA) T. Sluiter, beiden van MEIGroep.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het deskundigenonderzoek
5. De Raad heeft, omdat twijfel was ontstaan over de juistheid van de medische beoordelingen, aanleiding gezien verzekeringsarts drs. Roos-Vervoort als deskundige benoemd. De deskundige heeft overwogen dat, hoewel het invoelbaar is dat appellante klachten ervaart vanuit bestaande aandoeningen, zoals ADHD, ASS, fibromyalgie en spondylartrose, uit de beschikbare medische informatie geen objectieve toename van beperkingen per 18 september 2020 blijkt. De ervaren klachten zijn grotendeels een voortzetting van eerder vastgestelde problematiek en worden niet onderbouwd met nieuwe medische bevindingen. In de FML zoals opgesteld door het Uwv is reeds rekening gehouden met de aanwezige medische en psychische problematiek. Voor appellante gelden niet meer beperkingen dan door de verzekeringsarts zijn vastgelegd in de FML van 1 februari 2022. Met het standpunt van de verzekeringsarts dat appellante op 18 september 2020 in staat was om acht uur per dag en 40 uur per week te werken kan de deskundige zich verenigen.
5.1.
Appellante heeft als reactie op het deskundigenrapport een brief van 8 september 2025 ingezonden van psychiater Baoutou en MEA Sluiter. In de brief is aangevoerd dat in de anamnese door de deskundige verzekeringsarts wél is genoteerd dat appellante toegenomen klachten ervaart, zich niet gehoord voelt, meer slechte dagen kent en aangeeft dat twintig uur werken onmogelijk is. Toch concludeert dezelfde verzekeringsarts dat er geen toename is van beperkingen. In de recente periode is bij appellante door specialisten van de MElgroep middels expertise de diagnose ASS bevestigd, naast ADHD en stemmingsklachten in combinatie met de genoemde fysieke klachten. De praktijk en literatuur bevestigen dat bij ASS en ADHD de beperkingen niet afnemen met leeftijd, maar vaak juist toenemen. Appellante heeft ook een verslag van 5 maart 2026 van gynaecoloog K. Soufidi aan de huisarts ingezonden. Het rapport betreft een spreekuuronderzoek op 26 februari 2026 voor diagnostiek en/of advies en behandeling op de polikliniek voor vrouwenhulpverlening van het Algemeen Specialistisch Expertise centrum. Op basis van deze stukken heeft appellante de Raad verzocht een psychiater met expertise op het gebied van ASS en multicomorbiditeit te benoemen.

Het oordeel van de Raad

6. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om geen WIA-uitkering toe te kennen in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
6.1.
Op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op grond van artikel 56 is Pro geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.
6.2.
Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante opnieuw in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet WIA, omdat appellante op 18 september 2020 ongewijzigd minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Medische beoordeling
6.3.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijk, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Geoordeeld wordt dat deze situatie zich hier voordoet. Het deskundigenrapport van 16 mei 2025 geeft blijk van een zorgvuldig en uitgebreid onderzoek, is inzichtelijk en consistent gemotiveerd en komt overtuigend voor. De deskundige heeft appellante gesproken, dossieronderzoek verricht, kennisgenomen van alle beschikbare medische informatie van de behandelaars van appellante en dit alles bij haar beoordeling betrokken. De deskundige is op basis van haar bevindingen op navolgbare wijze tot de conclusie gekomen dat er geen argumenten zijn om de door de artsen van het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 18 september 2020 als onjuist te beschouwen. Volgens de deskundige is met de klachten van appellante voldoende rekening gehouden in de FML van 1 februari 2022. De deskundige heeft inzichtelijk gemotiveerd waarom er geen aanleiding is voor verdergaande beperkingen dan in de FML van 1 februari 2022 zijn opgenomen.
6.4.
Wat namens appellante door psychiater Baoutou en MEA Sluiter in reactie op het rapport van de deskundige is aangevoerd, is onvoldoende om de bevindingen van de deskundige niet te volgen. Dat het rapport van de deskundigen afwijkt van de opvatting van een andere, door de partijen geraadpleegde, deskundige is op zich niet voldoende om de deskundigen niet te volgen. De deskundige, die nu juist is ingeschakeld wegens de tegenstrijdige inzichten van eerdere experts, heeft de beschikbare medische gegevens, waaronder de opvatting van Baoutou, in haar beoordeling betrokken. Hierbij heeft de deskundige overwogen dat de inschatting van Baoutou over het lichamelijke aspect slechts is gebaseerd op anamnestisch verkregen informatie van appellante. Voor de door Baoutou gestelde toename van psychische beperkingen per datum in geding ontbreekt een duidelijke medische onderbouwing. Het door appellante ingezonden verslag van 5 maart 2026 van gynaecoloog Soufidi, leidt evenmin tot twijfel aan de conclusies van de deskundige, omdat het geen gegevens bevat die zien op de datum in geding (18 september 2020).
6.5.
Met het rapport van de ingeschakelde deskundige is bij de Raad de twijfel weggenomen over de juistheid van het standpunt van het Uwv dat in de FML van 1 februari 2022 in voldoende mate rekening wordt gehouden met de op 18 september 2020 bij appellante bestaande beperkingen. Er wordt daarom geen aanleiding gezien om opnieuw een deskundige te benoemen. Het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag.
Arbeidskundige beoordeling
6.6.
In wat appellante heeft aangevoerd worden geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante niet geschikt zouden zijn.

Conclusie en gevolgen

6.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) G.T. Hunsel