ECLI:NL:CRVB:2026:470
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in AOW-uitkeringszaak ongegrond verklaard
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam inzake haar AOW-uitkering, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet tijdig was ingediend. Vervolgens stelde appellante verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.
Tijdens de zitting van 23 maart 2026, waar partijen niet verschenen, stelde appellante dat zij reeds een ANW-nabestaandenuitkering ontving en dat haar aanvraag voor AOW-uitkering was afgewezen. Zij gaf aan in financiële moeilijkheden te verkeren en geld nodig te hebben voor medische behandelingen, gezinsonderhoud en het aflossen van leningen.
De Raad oordeelde echter dat appellante in haar verzet geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die het eerdere oordeel over haar verzuim konden weerleggen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 8 april 2026 in het openbaar gedaan door R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van griffier D. Semiz.
Uitkomst: Het verzet van appellante tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar hoger beroep wordt ongegrond verklaard.