Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:462

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
24/293 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 Wet WIAArt. 4 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid

Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, meldde zich ziek met psychische klachten en vroeg een IVA-uitkering aan. Het UWV kende hem een volledige maar niet duurzame WGA-uitkering toe. Appellant stelde dat zijn beperkingen duurzaam zijn en ging in beroep tegen deze beslissing.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor onjuistheden in het rapport. Appellant handhaafde zijn standpunt en verzocht om een onafhankelijke deskundige.

De Centrale Raad van Beroep benoemde een psychiater als deskundige, die concludeerde dat appellant niet uitputtend behandeld was en dat er nog behandelopties zijn. De Raad volgde dit oordeel en oordeelde dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Het hoger beroep werd afgewezen en de toekenning van de WGA-uitkering bleef in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toekenning van de WGA-uitkering blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/293 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2023, 23/4925 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 15 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om aan appellant per 3 februari 2022 een IVA-uitkering toe te kennen, omdat de volledige arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Volgens appellant zijn de beperkingen duurzaam. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen IVAuitkering, maar een WGA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.A.J. van Putten, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 9 oktober 2024. Namens appellant is verschenen mr. Van Putten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. van Beek.
Het onderzoek is heropend na de zitting. De Raad heeft psychiater dr. J.A. Bouwens als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 5 september 2025 een rapport uitgebracht.
Partijen hebben hun zienswijze op het rapport ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als vrachtwagenchauffeur voor 60 uur per week in zes dagen. Op 6 januari 2020 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant geen benutbare mogelijkheden heeft als gevolg van ziekte of gebrek. Het Uwv heeft bij besluit van 31 januari 2022 aan appellant met ingang van 3 februari 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Het Uwv heeft appellant volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt geacht.
1.2.
Bij besluit van 15 juni 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen gronden zijn om aan te nemen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de grond van appellant dat het expertiserapport van de deskundige van Psyon onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat er geen gebruik is gemaakt van een tolk, niet slaagt. Appellant heeft gebruik gemaakt van zijn inzage- en correctierecht. Daarbij heeft hij niet aangegeven dat en wat er door een eventuele taalbarrière niet juist in het expertiserapport zou zijn opgenomen. Ook in beroep is er tot en met de behandeling ter zitting niet inhoudelijk aangegeven wat er onjuist is opgenomen in het rapport of wat door de psychiater onjuist zou zijn begrepen. De rechtbank heeft verder overwogen dat er geen gronden zijn om het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat de (verzekerings)arts er in zijn aanvullend rapport van 15 juli 2022 van is uitgegaan dat er bij appellant meerdere diagnoses spelen: PTSS, aanpassingsklachten/stoornis/slechte coping en dat er voor al die diagnoses een behandeling is, waarbij verwacht kan worden dat dit de klachten van appellant en zijn belastbaarheid zal verbeteren. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de inschatting van de mogelijkheden tot verbetering van de belastbaarheid van appellant op inzichtelijke wijze heeft onderbouwd. Appellant heeft in beroep verder geen medische gegevens verstrekt die aanknopingspunten bieden voor twijfel over het verzekeringsgeneeskundig oordeel. De brief van GGZ Integraal van 26 oktober 2023 werpt geen nieuw licht op de medische situatie van appellant op de datum in geding. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om over te gaan tot het benoemen van een deskundige.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft zijn standpunt dat hij recht heeft op een IVA-uitkering, omdat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid gehandhaafd. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat aan het (in opdracht van het Uwv opgemaakte) expertiserapport van Psyon zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek ten grondslag ligt, omdat er geen correcte anamnese heeft plaatsgevonden. Uit de beschikbare medische informatie blijkt namelijk dat wel diagnoses waren gesteld, namelijk posttraumatische stress stoornis (PTSS), persisterende depressieve stoornis (dysthymie): vroeg begin, andere gespecificeerde disruptieve impulsbeheersing of andere gedragsstoornis. Verder heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsartsen de mogelijkheden tot verbetering van de belastbaarheid niet juist hebben beoordeeld. Uit de door appellant ingebrachte medische informatie blijkt dat geen uitspraak kan worden gedaan over de prognose van het herstel. Uit de informatie van de GGZ blijkt bovendien dat appellant wordt aangeleerd hoe hij moet omgaan met zijn klachten. Hieruit volgt volgens appellant dat sprake is van een chronisch ziektebeeld. Tot slot heeft appellant de Raad, onder verwijzing naar het arrest Korošec, verzocht om een onafhankelijk deskundige in te schakelen.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Deskundige
3.3.
Bij de Raad is twijfel ontstaan over de juistheid van de medische beoordeling door het Uwv. De Raad heeft daarom aanleiding gezien om psychiater dr. J.A. Bouwens als onafhankelijke deskundige te benoemen. De deskundige heeft in zijn rapport van 5 september 2025 geconcludeerd dat classificerend wordt voldaan aan de criteria van een PTSS en een persisterende depressieve stoornis. Hij heeft toegelicht dat hij alles overziend tot de overweging is gekomen dat er bij appellant wel degelijk sprake is van traumagerelateerde problematiek en van depressiviteit en dat die problematiek zich bij appellant, als gevolg van de optelsom van al zijn ervaringen en interacties met anderen, wat te omschrijven valt als zijn persoonlijke ontwikkeling, manifesteert met zowel duidelijke symptomatologie maar ook met een sluier van niet-competent gedrag, zeer sterk rapporteren van diverse klachten die zijn onvermogens onderstrepen en het afstand doen van verantwoordelijkheden. Volgens de deskundige blijkt niet dat appellant uitputtend is behandeld.
3.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv heeft in haar rapport van 27 oktober 2025 geconcludeerd dat het rapport van de deskundige bevestigt dat er per de datum in geding geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen. Zij heeft gemotiveerd toegelicht dat er nog diverse manieren zijn om de problematiek van appellant adequaat aan te pakken en zolang appellant voldoende meewerkt er zeker een duidelijke verbetering verwacht kan worden op de langere termijn (meer dan 1 jaar) van de belastbaarheid, zeker bij wat langere therapie, die opeenvolgend de verschillende problematiek aanpakt. Dit temeer omdat appellant ook wel betere (minder regressieve periodes) heeft gehad.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de toekenning van een WGA-uitkering aan appellant in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.2.
Niet in geschil is dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. Gelet op de door partijen ingenomen standpunten, ligt de vraag voor of de arbeidsongeschiktheid van appellant op de datum in geding, 3 februari 2022, moet worden geacht volledig en duurzaam te zijn, zodat appellant op grond van artikel 47 van Pro de Wet WIA recht heeft op een IVA- in plaats van een WGA-uitkering.
4.3.
De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, geoordeeld dat de verzekeringsarts zich een oordeel moet vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van Pro de Wet WIA. [1] Hierbij moet hij een inschatting maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar na het ontstaan van het recht op uitkering en in de periode daarna moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn, voor zover die feiten en omstandigheden betrekking hebben op de medische situatie van de verzekerde op de datum in geding. Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.
4.4.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Die situatie doet zich hier voor. Het rapport van de deskundige geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft alle beschikbare medische informatie in de beoordeling betrokken, twee gesprekken gevoerd met appellant en psychiatrisch onderzoek verricht. Er bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van het inzichtelijk en overtuigend gemotiveerde standpunt van de deskundige te twijfelen. De deskundige heeft op de aan hem gestelde vragen duidelijk antwoord gegeven en heeft geconcludeerd dat, zoals is vermeld in 3.3, classificerend wordt voldaan aan de criteria van een PTSS en aan de criteria van een persisterende depressieve stoornis. De deskundige heeft geconcludeerd dat appellant niet uitputtend is behandeld en dat van therapieresistentie niet is gebleken. Bij de behandelmogelijkheden valt in ieder geval te denken aan behandeling naar een derdelijnscentrum als ARQ Centrum’45. Ook is appellant slechts met EMDR behandeld en zijn er nog behandelmodaliteiten, zoals imaginaire exposure en narratieve exposure therapie. Voorts blijkt volgens de deskundige niet dat er toereikende aandacht is geweest voor de wijze waarop de problematiek zich bij appellant manifesteert, namelijk het regressieve gedrag, noch dat er toereikende aandacht is geweest voor de mogelijke onderhoudende rol vanuit het systeem van appellant. De deskundige onderkent daarbij dat er veel belemmerende factoren zijn die hun weerslag op intensieve behandeling zullen hebben, maar concludeert dat er nog wel degelijk mogelijkheden voor behandeling zijn en ook een behandeling/aanpak van het gedrag/de wijze waarop de problematiek zich bij appellant manifesteert zinvol is om in te zetten.
4.5.
Uit het voorgaande volgt dat, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook in haar rapport van 27 oktober 2025 heeft toegelicht, per 3 februari 2022 geen sprake was van duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen.

Conclusie en gevolgen

4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van een WGA-uitkering in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) G.T. Hunsel

Voetnoten

1.CRvB 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896.