ECLI:NL:CRVB:2026:459
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in ANW-uitkeringszaak afgewezen
Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam over een uitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet (ANW). Dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard door de Centrale Raad van Beroep omdat het griffierecht niet was betaald en er geen reden was om aan te nemen dat appellante niet in verzuim was.
Appellante stelde verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Tijdens de zitting van 26 februari 2026 waren partijen niet aanwezig. In het verzet voerde appellante aan dat zij ziek is, geen werk heeft, vier kinderen onderhoudt en aanspraak wil maken op een ANW-uitkering na het overlijden van haar echtgenoot die een uitkering van de Sociale Verzekeringsbank ontving.
De Raad oordeelde dat verzet zich beperkt tot de vraag of de vereenvoudigde behandeling van het hoger beroep terecht was toegepast en of appellante onterecht niet op zitting was gehoord. Appellante had geen concrete gronden aangevoerd tegen de vereenvoudigde behandeling, maar slechts haar eerdere beroepsgronden herhaald. Dit was onvoldoende om twijfel te zaaien over het eerdere oordeel. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door K.H. Sanders, in aanwezigheid van griffier C.M. Snellenberg, op 9 april 2026.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.