Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:458

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
25/819 WMO15-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring incidenteel hoger beroep in zorgmeldingszaak ongegrond verklaard

Appellante had incidenteel hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin werd bepaald dat het dagelijks bestuur van de GGD en Veilig Thuis Haaglanden een zorgmelding moest vernietigen. De Raad verklaarde dit hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat het dagelijks bestuur het hoger beroep had ingetrokken en uitvoering had gegeven aan de uitspraak.

Appellante deed verzet tegen deze beslissing, stellende dat het dagelijks bestuur de zorgmelding pas na intrekking van het hoger beroep uit het dossier had verwijderd en dat de gang van zaken haar en haar kinderen veel angst en onzekerheid had bezorgd. Zij verzocht tevens om oplegging van een dwangsom aan het dagelijks bestuur.

De Raad overwoog dat verzet zich beperkt tot de vraag of de vereenvoudigde behandeling terecht was toegepast en dat het procesbelang ontbrak omdat de zorgmelding inmiddels was vernietigd. De wens van appellante om een principieel signaal af te geven over het handelen van het dagelijks bestuur levert geen procesbelang op. Ook kan in deze verzetsprocedure geen dwangsom worden opgelegd.

De Raad verklaarde het verzet ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Hiermee is de juridische strijd over de zorgmelding formeel afgesloten, waarbij appellante haar doel van verwijdering heeft bereikt, maar geen verdere uitspraak krijgt over het vermeende onrechtmatig handelen.

Uitkomst: Het verzet van appellante wordt ongegrond verklaard omdat het procesbelang ontbreekt nu de zorgmelding is verwijderd.

Uitspraak

25/819 WMO15-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 juli 2023, 23/769 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van de GGD en Veilig Thuis Haaglanden (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 9 april 2026

PROCESVERLOOP

In de uitspraak van 20 augustus 2025 heeft de Raad het door appellante ingestelde incidenteel hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak en haar verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
Appellante heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, mevrouw [naam] . Het dagelijks bestuur is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De uitspraak van de Raad van 20 augustus 2025 berust op de overwegingen dat er geen sprake meer is van procesbelang nu het dagelijks bestuur het hoger beroep heeft ingetrokken en uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak. Daarbij heeft de Raad overwogen dat het hebben van een principieel belang onvoldoende is voor het aannemen van procesbelang.
2. In verzet heeft appellante haar onvrede geuit over de gang van zaken met betrekking tot het verwijderen van een door politie Haaglanden gedane zorgmelding aan Veilig Thuis Haaglanden. Ondanks een verzoek van de politie Haaglanden op 29 november 2022 om de melding als niet verzonden te beschouwen en de aangevallen uitspraak van 13 juli 2023 waarbij werd bepaald dat het dagelijks bestuur de gegevens over de melding moest vernietigen, is dit niet gebeurd. Het dagelijks bestuur heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en hoewel het hoger beroep geen schorsende werking had, is de melding pas nadat het hoger beroep was ingetrokken uit het dossier van het dagelijks bestuur verwijderd. De hele gang van zaken, die appellante ervaart als machtsmisbruik en terreur, heeft gezorgd voor veel angst en onzekerheid bij appellante en haar kinderen. Appellante acht het voor haarzelf en voor anderen van belang dat uitspraak wordt gedaan over het onrechtmatig handelen van een overheidsinstantie. Ter zitting heeft zij de Raad verzocht om aan het dagelijks bestuur een dwangsom op te leggen omdat het dagelijks bestuur ook na de aangevallen uitspraak in gebreke is gebleven de melding te verwijderen. Appellante wenst met een uitspraak van de Raad een signaal af te geven richting de gemeente en verantwoordelijke besturen, dat hier iets grondig is misgegaan en dat nooit meer mag gebeuren.
3. Verzet, als bedoeld in artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, ziet uitsluitend op de vraag of de Raad ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van – in dit geval – het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak en het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit betekent dat de beoordeling van de Raad in deze verzetsprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder appellante op zitting te horen.
4. De Raad komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is en overweegt daartoe het volgende.
4.1.
Het staat vast dat het dagelijks bestuur de gegevens met betrekking tot de zorgmelding heeft vernietigd. Op 19 mei 2025, ongeveer een maand nadat appellante een verzoek om een voorlopige voorziening had gedaan, heeft het dagelijks bestuur het hoger beroep ingetrokken, de Raad medegedeeld dat uitvoering gegeven zal worden aan de aangevallen uitspraak en dat de melding wordt vernietigd. Op 30 juli 2025 heeft het dagelijks bestuur de Raad bericht dat de melding en de verwijzingen hiernaar daadwerkelijk uit het dossier van Veilig Thuis Haaglanden zijn verwijderd. Daarmee heeft appellante – uiteindelijk en na een langdurige juridische strijd – bereikt waar het haar om te doen was.
4.2.
Voor appellante is het daarmee niet klaar. In haar reactie op de vraag van de Raad of zij haar incidentele hoger beroep wenst te handhaven en ook op de zitting waar haar verzet is behandeld, heeft appellante uiteengezet dat zij een uitspraak van de Raad wenst om een signaal af te kunnen geven over het in haar ogen schandalige handelen van het dagelijks bestuur. Zij wil daarmee herhaling van dit handelen voorkomen zodat anderen daarvan in de toekomst niet op dezelfde manier als zij de dupe worden. Hoezeer de Raad deze wens op zichzelf ook kan begrijpen, hij levert geen procesbelang op. In de uitspraak van 20 oktober 2025 heeft de Raad onder verwijzing naar vaste rechtspraak terecht overwogen dat de vraag die appellante beantwoord wenst te zien louter een principiële kwestie betreft waarbij zij zelf geen belang meer heeft. Wat appellante in verzet heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen.
4.3.
Gelet op het onder 3 beschreven karakter van de verzetsprocedure is het, nog afgezien van de vraag of daarvoor aanleiding zou zijn, niet mogelijk om, zoals appellante heeft verzocht, aan het dagelijks bestuur een dwangsom op te leggen.
4.4.
Gelet op het voorgaande zal het verzet ongegrond worden verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.
(getekend) K.H. Sanders
De griffier is verhinderd te ondertekenen.