Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:457

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
24/1084 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling juistheid vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid door UWV

Appellant betwistte de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid door het UWV, die per 10 december 2021 was vastgesteld op 48,08%. Hij stelde dat hij meer medische beperkingen heeft dan door het UWV aangenomen, waardoor hij de geselecteerde functies niet kan vervullen. De Raad concludeerde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de medische beperkingen inzichtelijk en deugdelijk had gemotiveerd en dat de door appellant ingebrachte rapporten geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten die aanleiding geven tot twijfel aan de vaststelling.

De medische beoordeling door het UWV was zorgvuldig, met meerdere onderzoeken en rapportages, waarbij ook aanvullende beperkingen werden opgenomen. De arbeidsdeskundige bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren bij de vastgestelde beperkingen. De rechtbank had eerder het beroep ongegrond verklaard, maar de Raad vernietigde deze uitspraak vanwege een gewijzigd besluit van het UWV dat het arbeidsongeschiktheidspercentage verhoogde.

De Raad ging uitgebreid in op de verschillende geschilpunten zoals handelingstempo, lopen, cognitieve beperkingen, en urenbeperking, en volgde daarbij de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De Raad oordeelde dat er geen grond was voor het benoemen van een deskundige en dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid juist had vastgesteld. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant terecht heeft vastgesteld op 48,08%.

Uitspraak

24/1084 WIA, 25/1610 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 maart 2024, 22/3825 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 april 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 10 december 2021 heeft vastgesteld op 48,08%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.M. Carabain-Klomp, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken en reacties ingediend.
Het Uwv heeft op 4 juni 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 januari 2026. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Carabain-Klomp. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door S.S. Wiltjer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als medewerker crediteurenadministratie voor 35,86 uur per week. In november 2013 is hij uitgevallen als gevolg van een cerebro vasculair accident (CVA) met rechtszijdige motorische stoornissen. Met ingang van 25 november 2015 heeft het Uwv aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 42,78%. Na een herbeoordeling in 2017 is het arbeidsongeschiktheidspercentage per 10 augustus 2017 vastgesteld op 41,26%.
1.2.
In verband met een door appellant op 3 februari 2022 gedane melding van een verslechtering van zijn gezondheid per 10 december 2021 heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft appellant lichamelijk en psychisch onderzocht op een spreekuur en vastgesteld dat de functionele mogelijkheden van appellant in enige mate zijn verbeterd ten opzichte van de vorige beoordelingen en heeft op 1 april 2022 een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), geldig vanaf 10 december 2021, opgesteld. De arbeidsdeskundige heeft voor appellant passende functies geselecteerd en het arbeidsongeschiktheidspercentage berekend op 30,35%. Bij besluit van 5 april 2022 heeft het Uwv de WIA-uitkering van appellant met ingang van 6 juni 2022 beëindigd, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Bij besluit van 24 oktober 2022 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep, die appellant op een hoorzitting heeft gezien, heeft op 10 oktober 2022 een nieuwe FML met aanvullende beperkingen opgesteld, maar dat heeft niet geleid tot een ander arbeidsongeschiktheidspercentage.
1.4.
Hangende beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nog een aanvullende beperking op het beoordelingspunt spreken met als toelichting ‘geen langdurige en intensieve gesprekken’ aangenomen. Deze wijziging is neergelegd in een FML van 16 maart 2023. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 21 maart 2023 geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid hierdoor niet wijzigt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft overwogen dat de medische onderzoeken door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig zijn geweest waarbij van belang is geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een duidelijk beeld had van de bij appellant bestaande klachten en de daarmee gepaard gaande problematiek. Volgens de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat voor een verdere aanpassing van de FML. De rechtbank heeft in de beroepsgronden geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden of dat de ter zake opgestelde rapporten inconsistenties bevatten of niet concludent zijn. Volgens de rechtbank kan de medische grondslag van het bestreden besluit standhouden. Daarbij heeft de rechtbank uitdrukkelijk in ogenschouw genomen dat de diabetes van appellant en de daarmee gepaard gaande klachten niet kunnen worden betrokken in deze beoordeling, omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat ten tijde van de datum in geding al sprake was van diabetes. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat appellant de geselecteerde functies niet kan vervullen en geconcludeerd dat het Uwv deze functies dus aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.
Procedure in hoger beroep
3.1.
Appellant is het niet eens met de aangevallen uitspraak en heeft in hoger beroep ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij meer beperkingen heeft dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen een rapport van 7 februari 2025 van R.A. Hollander, arts/medisch adviseur ingediend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierop gereageerd met een rapport van 24 maart 2025 en – uitgaande van een nog niet ontdekte diabetes mellitus 2 op de datum in geding – een extra beperking in de FML opgenomen, te weten de voorwaarde dat er een toilet in de buurt van de werkplek aanwezig moet zijn, en een gewijzigde FML van 24 maart 2025 opgesteld. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat deze wijziging geen gevolgen heeft voor de functieduiding, omdat in alle geselecteerde functies een toilet in de buurt van de werkplek aanwezig is.
3.2.
Appellant heeft vervolgens een aanvullend rapport van 24 april 2025 van Hollander ingebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierop gereageerd met een rapport van 2 juni 2025. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om in de toelichting bij het beoordelingspunt ‘vasthouden van aandacht’ op te nemen dat appellant niet langer dan één uur intensief kan focussen/geconcentreerd werken en heeft deze beperking neergelegd in een gewijzigde FML van 2 juni 2025. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de eerder geselecteerde functies niet langer geschikt zijn voor appellant, heeft drie nieuwe functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 48,08%.
3.3.
Op 2 juni 2025 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Het Uwv heeft het bezwaar van appellant alsnog gegrond is verklaard, het besluit van 5 april 2022 ingetrokken, appellant met ingang van 10 december 2021 voor 48,08% arbeidsongeschikt geacht en bepaald dat appellant met ingang van 10 december 2021 recht heeft op een WGA-loonaanvullingsuitkering.
3.4.
Appellant is het met het bestreden besluit 2 niet eens en heeft nog een aanvullend rapport van Hollander van 21 juli 2025 ingebracht. In dit rapport is Hollander – samengevat – van mening dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer beperkingen had moeten aannemen voor dwingend tempo, lopen tijdens werk, cognitieve problemen als gevolg van de diabetes, herinneren, fietsen, stilstaan, hurken, op een ladder staan en handelingstempo. Verder heeft Hollander gesteld dat een urenbeperking aangenomen had moeten worden.
3.5.
Het Uwv heeft – mede onder verwijzing naar een aanvullend rapport van 25 november 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep – verzocht het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond te verklaren.

Het oordeel van de Raad

4. Met bestreden besluit 2 heeft het Uwv het bestreden besluit 1 niet langer gehandhaafd. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak en bestreden besluit 1 zullen worden vernietigd. Aangezien bestreden besluit 2 niet geheel tegemoetkomt aan het bezwaar van appellant wordt dit besluit gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrokken.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene tenminste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.2.
Het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv is voldoende zorgvuldig geweest. Appellant is zowel door de primaire arts als door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gezien, waarbij de primaire arts appellant psychisch en lichamelijk heeft onderzocht. Daarnaast is dossierstudie verricht en is alle beschikbare informatie kenbaar betrokken in de beoordeling. Zowel in beroep als in hoger beroep heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de door appellant ingediende medische informatie en rapporten en daarin aanleiding gezien tot het aannemen van extra beperkingen in de FML.
4.3.
De Raad stelt vast dat blijkens de laatst ingebrachte rapporten van Hollander en de verzekeringsarts bezwaar en beroep tussen partijen nog een aantal medische aspecten en de vertaling daarvan in beperkingen in geschil zijn. Daarop zal per onderdeel worden ingegaan.
Beoordelingspunt 1.8.5/handelingstempo/herhaalde handelingen
4.4.
Appellant is beperkt op beoordelingspunt 1.8.5, waarbij als toelichting is gegeven ‘geen dwingend en/of hoog handelingstempo’. Volgens Hollander ontbreekt bij dit beoordelingspunt een meer specifieke toelichting en zou het onder meer moeten gaan om situaties ten aanzien van klanten, patiënten, lopende band e.d. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat volgens de toelichting in de basisinformatie CBBS bij dit beoordelingspunt aanvullingen als ‘geen lopende band werk’ moeten worden vermeden om verwarring te voorkomen. In het CBBS is vermeld dat de verzekeringsarts wordt verzocht een toelichting te geven zodat het voor de arbeidsdeskundige duidelijk is welke betekenis de beperking heeft in relatie tot de te duiden arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dat gedaan door te specificeren dat het gaat om ‘geen dwingend en/of hoog handelingstempo’ en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat dat niet aan de orde is in de geduide functies.
4.5.
Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelet op alle activiteiten die appellant op een dag verricht, hij autorijdt en zijn eigen eten kookt geen aanleiding gezien om een verlaagd handelingstempo aan te nemen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat Hollander het door hem gestelde verlaagde handelingstempo heeft gebaseerd op zijn eigen onderzoeksbevindingen van ruim tweeëneenhalf jaar na de datum in geding, terwijl de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant heeft gezien rondom de datum in geding. Ook zijn er volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen objectief verifieerbare stukken die een verlaagd handelingstempo rechtvaardigen. Evenmin bestaat volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding voor aanvullende beperkingen op herhaaldelijke handelingen, zoals voor frequent reiken of buigen. Niet kan worden gesteld dat de restklachten van de CVA’s leiden tot een snel en ernstig energieverlies, waarbij het goed gevulde dagverhaal van appellant en het feit dat hij niet gaat rusten van belang is. Bovendien ligt de normaalwaarde van herhaaldelijke handelingen als reiken en buigen al erg laag. De Raad kan deze inzichtelijk gemotiveerde toelichting van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen.
Lopen tijdens werk
4.6.
Appellant is licht beperkt op lopen tijdens het werk, kan zo nodig gedurende de helft van de werkdag (ongeveer vier uur) lopen. Bij het beoordelingspunt ‘afwisseling van houding’ is als voorwaarde opgenomen dat staan en lopen (in totaal) niet meer dan ca vier tot vijf uur per dag, over de dag verspreid mag zijn. Hollander heeft gesteld dat appellant maximaal twee uur per dag kan lopen en verwijst hiervoor naar de situatie in de jaren 2014 tot 2018, waarin het lopen was beperkt tot twee uur per dag en het wijzigingsformulier waarin appellant heeft vermeld dat het lopen is verslechterd. Verder blijkt volgens Hollander uit de anamneses dat appellant heeft vermeld dat de kracht in zijn linkerbeen is verminderd. Appellant wandelt zo’n anderhalf uur en ’s ochtends loopt hij een uur hard, maar zijn tempo ligt laag en na vijf minuten hardlopen moet hij tien tot vijftien minuten rusten, zodat hij nooit meer dan twee uur per dag loopt. Volgens Hollander is de situatie van appellant sindsdien niet verbeterd, zodat onnavolgbaar is waarom hij nu wordt geacht maximaal vier tot vijf uur per dag te kunnen staan en lopen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierover opgemerkt dat de beperking van twee uur per dag lopen in 2014 is gesteld en zonder nadere beoordeling is overgenomen in 2015 en dat de argumenten daarvoor, zoals eeltvorming en kalknagels, ten tijde van de datum in geding niet meer aan de orde waren. Daar komt bij dat de beperking op lopen is gebaseerd op informatie die appellant heeft verteld, samen met de verzamelde interne en externe consistentie en de diagnose. Zowel in het rapport van de primaire arts als in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is vermeld dat appellant veel wandelt, dat hij lopend doet wat hij lopend kan en dat hij veel probeert te bewegen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn er op basis van deze activiteiten geen argumenten om aan te nemen dat appellant verspreid over de dag maar twee uur kan lopen. Het feit dat appellant heeft verteld dat hij één keer een uur per dag loopt, betekent dat hij niet meer dan dat zou kunnen lopen. De Raad kan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen. Bovendien komt in de geselecteerde functies lopen niet meer dan een uur per dag voor.
Cognitieve problemen als gevolg van diabetes mellitus
4.7.
Hollander meent dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen vanwege jarenlange schommelingen in de bloedsuikerspiegel, die kunnen leiden tot hersenbeschadiging en cognitieve problemen, met name vanwege de combinatie met de jarenlange hoge bloeddruk en nierfalen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierover opgemerkt dat bij appellant geen sprake is geweest van jarenlange schommelingen in de bloedsuikerspiegel. Hij verwijst hiervoor onder meer naar de medische informatie in het dossier, zoals het huisartsenjournaal en informatie van de internist van 23 augustus 2022, die heeft vermeld dat diabetes uitstekend is gereguleerd zonder insuline. Hiermee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom voor het aannemen van extra beperkingen op het cognitieve vlak – dus naast de reeds aangenomen cognitieve beperkingen – geen aanleiding bestaat.
Herinneren
4.8.
Hollander heeft gesteld dat bij appellant sprake is van een verminderde inprenting en geheugen (vooral voor de korte termijn) wat veel voorkomt bij psychiatrische en neurologische stoornissen en heeft erop gewezen dat appellant moeite heeft nieuwe informatie te onthouden. Daarom zou volgens hem een beperking op herinneren moeten worden aangenomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat conform de CBBS-definitie in het geval van appellant geen beperking is aan te nemen op herinneren, omdat over het algemeen een dergelijke beperking alleen voorkomt bij mensen met een ernstige stoornis als dementie of ernstige hersenschade en daarvan in het geval van appellant geen sprake is. Bovendien moet om van een beperking op herinneren te kunnen spreken de continuïteit van het handelen gevaar lopen. Ook daarvan is bij appellant geen sprake. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hiermee voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat voor herinneren geen extra beperking in de FML hoeft te worden opgenomen.
Fietsen, stilstaan, hurken, op een ladder staan
4.9.
Hollander heeft gesteld dat appellant vanwege zijn balansproblemen beperkt is voor fietsen, stilstaan, hurken en op een ladder staan. Dat hij een huishoudtrap van drie meter hoog op en af moet kunnen strookt niet met de aangenomen beperking op persoonlijk risico, met name ten aanzien van hoogtes. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierover opgemerkt dat voor zowel fietsen als stilstaan geen beperking op de FML bestaat en daarbij opgemerkt dat appellant niet fietst en dat bij staan altijd mag worden bewogen. Verder heeft hij erop gewezen dat appellant ten tijde van het primaire lichamelijk onderzoek knielend de grond kon bereiken, zodat een beperking voor hurken niet is aangewezen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep onder verwijzing naar het CBBS uitgelegd dat een huishoudtrap gemiddeld anderhalve meter hoog is en dat het op- en afklimmen van een huishoudtrap in totaal een maximum van drie meter betreft. De verzekeringsarts heeft hiermee navolgbaar uitgelegd waarom op dit punt geen extra beperkingen worden aangenomen. Bovendien komt in de geselecteerde functies klimmen niet voor, zodat geen nadere arbeidsdeskundige beoordeling op dit punt heeft plaatsgevonden.
Urenbeperking
4.10.
Met betrekking tot werktijden heeft Hollander gesteld dat appellant maximaal twee uur per dag cognitieve werkzaamheden kan verrichten, waarbij van belang is dat dit niet twee aaneengesloten uren zijn en dat deze uren niet in de tweede helft van de middag moeten zijn. Omdat appellant door de verzekeringsarts bezwaar en beroep beperkt is geacht op vasthouden van de aandacht, te weten maximaal één uur per dag intensief focussen/geconcentreerd werken, moet dit volgens hem ook terugkomen in de urenbeperking. De verzekeringsarts bezwaar heeft erop gewezen dat genoemd beperking op de FML bij vasthouden van aandacht inhoudt dat appellant na een uur intensief focussen weer mentaal minder belastende taken kan verrichten, die weer kunnen worden gevolgd door meer mentaal belastende taken. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat appellant tolkwerkzaamheden verricht, waaruit blijkt dat hij zich tenminste twee tot drie keer per dag intensief kan focussen. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat een eventuele preventieve urenbeperking niet afhankelijk is van de mentale belasting in het werk. Als rekening wordt gehouden met de belastbaarheid zoals vastgelegd in de FML is een aanvullende urenbeperking niet aan de orde. Ook hiermee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende inzichtelijk gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat voor een aanvullende urenbeperking.
4.11.
Samenvattend is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en deugdelijk heeft gemotiveerd dat de rapporten van Hollander van 7 februari 2025, 24 april 2025 en 21 juli 2025 geen aanknopingspunten bieden om te twijfelen aan de vastgestelde belastbaarheid van appellant zoals neergelegd in de FML van 2 juni 2025. Uit de rapporten komen ook geen nieuwe medische feiten of omstandigheden naar voren, die nog niet bekend waren. Omdat er geen grond is voor twijfel aan de juistheid van de vaststelling van de medische belastbaarheid van appellant, is er geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.
Arbeidskundige beoordeling
4.12.
Uitgaande van de juistheid van de voor appellant gestelde beperkingen in de FML van 2 juni 2025 gaat de belasting van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de beperkingen van appellant niet te boven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 3 juni 2025 de geschiktheid van de geselecteerde functies voldoende gemotiveerd. Er is geen aanleiding het Uwv niet te volgen in deze uitleg over de geschiktheid van de functies.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Omdat het Uwv in hoger beroep een gewijzigd besluit op bezwaar heeft genomen, bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten voor verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) en € 1.868 in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-), in totaal € 3.736,-.
5.2.
Ook komen de kosten van de door appellant ingeschakelde medisch adviseur Hollander voor vergoeding in aanmerking tot een bedrag van in totaal € 5.468,14 inclusief BTW (€ 4.159,52 + € 747,78 + € 560,84). Daarnaast komen de reiskosten van appellant in beroep van € 15,- voor vergoeding in aanmerking.
5.3.
Uit 5.1 en 5.2 volgt dat de door het Uwv aan appellant te vergoeden kosten in totaal
€ 9.219,14 bedragen.
5.4.
Tenslotte moet het Uwv het door appellant betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van in totaal € 188,- aan appellant vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van gegrond en vernietigt dat besluit ;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 4 juni 2025 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 9.219,14;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het griffierecht van in totaal € 188,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
(getekend) J. Bonnema