Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:454

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
25/739 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:17 AwbAlgemene termijnenwetWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling dwangsom bij niet tijdig beslissen op meldingen verslechterde gezondheid WIA

Appellant, die een WIA-uitkering aanvraagt, meldde zich meerdere keren met een verslechterde gezondheid. Het UWV nam bij besluit van 15 augustus 2023 een beslissing waarin ook de meldingen van 22 september 2022 en 29 mei 2023 waren betrokken. Appellant stelde dat het UWV niet tijdig op deze meldingen had beslist en eiste een dwangsom.

De rechtbank oordeelde dat het UWV wel degelijk op deze meldingen had beslist en verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat het besluit van 15 augustus 2023 alleen betrekking had op de melding van 18 juli 2023, en dat er geen medische beoordeling was van de eerdere meldingen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. Uit het rapport van de verzekeringsarts bleek dat de arts kennis had genomen van alle meldingen en dat de belastbaarheid niet wezenlijk was gewijzigd. Het ontbreken van een FML voor eerdere data betekent niet dat het UWV niet op die meldingen heeft beslist. Eventuele zorgvuldigheids- of motiveringsgebreken kunnen in bezwaar- en beroepsfase worden behandeld.

De Raad concludeerde dat het UWV geen dwangsommen heeft verbeurd en wees het hoger beroep af. Appellant kreeg geen vergoeding van proceskosten. De aangevallen uitspraak bleef daarmee in stand.

Uitkomst: Het UWV is niet gehouden tot betaling van een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op meldingen verslechterde gezondheid.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/739 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 maart 2025, 24/1702 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 9 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellant een dwangsom is verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op zijn meldingen verslechterde gezondheid van 22 september 2022 en 29 mei 2023. De Raad komt tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat er geen dwangsom is verschuldigd.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Mr. Y. van der Linden, advocaat, heeft zich gesteld als gemachtigde van appellante en nadere hoger beroepsgronden ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Voor appellant is mr. Y. van der Linden verschenen, vergezeld van [naam echtgenote] , de echtgenote van appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als administratief medewerker voor gemiddeld 37,47 uur per week. Hij heeft zich op 17 december 2019 ziekgemeld. Op 11 september 2021 heeft appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Bij besluit van 23 februari 2022 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat appellant per 14 december 2021, einde wachttijd, minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
1.2.
Met formulier van 22 september 2022 heeft appellant zich per 16 september 2022 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Met een formulier van 29 mei 2023 heeft appellant zich opnieuw toegenomen arbeidsongeschikt gemeld per 11 mei 2023. Vervolgens heeft appellant zich op 19 juli 2023 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld per 18 juli 2023. Bij brief van 20 juli 2023 heeft het Uwv aan appellant laten weten het herbeoordelingsformulier van 19 juli 2023 te hebben ontvangen en dat de aanvraag in behandeling zal worden genomen. Naar aanleiding van deze melding is appellant onderzocht door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant beperkingen heeft en heeft die beperkingen vastgelegd in een FML van 4 augustus 2023. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. Hij heeft geschikte functies voor appellant geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 14,59%. Bij besluit van 15 augustus 2023 heeft het Uwv de aanvraag om een WIA-uitkering per 18 juli 2023 afgewezen, omdat appellant minder dat 35% arbeidsongeschikt is. Daarbij heeft het Uwv opgenomen dat appellant op 22 september 2022, 29 mei 2023 en 19 juli 2023 wijzigingsformulieren heeft ingestuurd. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
1.3.
Op 8 maart 2023 heeft appellant ingebrekestellingen gestuurd, omdat het Uwv volgens hem niet heeft beslist op zijn meldingen verslechtering gezondheid van 22 september 2022 en 29 mei 2023. Het Uwv heeft bij besluiten van 12 maart 2024 beslist dat appellant niet in aanmerking komt voor een dwangsom, omdat het Uwv reeds op de aanvragen tot een herbeoordeling heeft beslist bij het besluit van 15 augustus 2023.
1.4.
Bij besluit van 25 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 15 augustus 2023 dat het Uwv een beslissing heeft genomen op de meldingen verslechterde gezondheid van 22 september 2022 en 29 mei 2023. Appellant heeft op 8 maart 2024 een ingebrekestelling gestuurd. Dit is nadat de beslissing van 15 augustus 2023 is genomen, waardoor het Uwv volgens de rechtbank niet in gebreke was. Appellant is niet gevolgd in zijn betoog dat enkel vermelding van de meldingen verslechterde gezondheid in het besluit van 15 augustus 2023 onvoldoende is om te kunnen spreken van het nemen van een besluit op die meldingen. De vraag of het Uwv voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de meldingen verslechterde gezondheid en daarop juist heeft beslist, ligt volgens de rechtbank niet voor in deze procedure.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant stelt zich op het standpunt dat het Uwv bij het besluit van 15 augustus 2023 enkel heeft beslist op de melding van 18 juli 2023 en daarbij geen besluit heeft genomen op de meldingen verslechterde gezondheid van 22 september 2022 en 29 mei 2023. Volgens appellant is geen sprake van een besluit met rechtsgevolg ten aanzien van die meldingen, omdat een medische (en arbeidsdeskundige) beoordeling over die meldingen ontbreekt en geen sprake is van een toewijzing of afwijzing van het recht op WIA in het besluit van 15 augustus 2023. Dit brengt appellant tot de conclusie dat wel degelijk dwangsommen wegens het te laat beslissen zijn verbeurd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak gemotiveerd besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen.
5.2.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt uit het besluit van 15 augustus 2023 dat het Uwv daarbij (ook) een beslissing heeft genomen op de in dat besluit genoemde meldingen verslechterende gezondheid van 22 september 2022 en 29 mei 2023. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 14 augustus 2023 blijkt ook dat deze arts kennis heeft genomen van de drie meldingen van toegenomen arbeidsongeschiktheid en dat hij heeft vastgesteld dat appellant weliswaar meer klachten ervaart, maar dat de klachten en aandoeningen niet wezenlijk zijn gewijzigd. Volgens deze arts is de belastbaarheid niet veranderd. De arts heeft ervoor gekozen alleen een FML op te stellen voor de belastbaarheid vanaf 18 juli 2023. Dat de verzekeringsarts voor de data 16 september 2022 en 11 mei 2023 niet een FML heeft opgesteld en de arbeidsdeskundige geen functies heeft geselecteerd, betekent niet dat het Uwv niet op die meldingen heeft beslist. Voor zover hierbij sprake is van zorgvuldigheids- en/of motiveringsgebreken, kan dat aan de orde komen in de bezwaar- en beroepsfase tegen het besluit van 15 augustus 2023.
5.3.
Vorenstaande leidt tot de conclusie dat het Uwv geen dwangsommen heeft verbeurd.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) C.E.A. Tessemaker

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
2. Onder beschikking wordt verstaan: een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan.
3. Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.
(…)
Artikel 4:17 – Dwangsom bij niet tijdig beslissen
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4. Indien de aanvraag elektronisch kon worden gedaan, is artikel 4:3a van overeenkomstige toepassing op de ingebrekestelling.
5. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op.
6. Geen dwangsom is verschuldigd indien:
a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,
b. de aanvrager geen belanghebbende is, of
c. de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.
7. Indien er meer dan één aanvrager is, is de dwangsom aan ieder van de aanvragers voor een gelijk deel verschuldigd.