ECLI:NL:CRVB:2026:450
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in sociale zekerheidszaak afgewezen
Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift niet tijdig was ingediend. Vervolgens stelde appellant verzet in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Tijdens de behandeling van het verzet gaf appellant aan dat hij pas na het ontslag van zijn advocaat wist dat hij zelf hoger beroep kon instellen, dat hij de Nederlandse taal en wetgeving niet beheerst, en dat hij leed aan PTSS. Ook stelde hij dat de gemeente Groningen fouten had gemaakt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant in het verzet geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die het eerdere oordeel over het verzuim konden wijzigen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Het college van burgemeester en wethouders van Groningen was niet verschenen bij de zitting, terwijl appellant online deelnam.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van griffier D. Semiz, en uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.