Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:446

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
25/1101 PW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht afgewezen

Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Overijssel, maar dit hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald. Appellant stelde in verzet dat hij de betalingsherinnering niet kon ophalen vanwege sluiting van het postkantoor in de vakantieperiode. De Raad vroeg om bewijs hiervan, maar appellant kon dit niet leveren.

De Raad constateerde dat de eerste nota voor het griffierecht op 16 juni 2025 aan appellant was toegezonden en niet retour was gekomen, waardoor werd aangenomen dat appellant op de hoogte was van de betalingsverplichting. Het niet kunnen ophalen van de aangetekende brief verklaart niet waarom het griffierecht niet is betaald.

Omdat appellant geen feiten of omstandigheden aanvoerde die het verzuim konden rechtvaardigen, werd het verzet ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door R.W.L. Koopmans, in aanwezigheid van griffier D. Semiz, op 8 april 2026.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van het griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

25/1101 PW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het verzet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 16 april 2025, 24/3987 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Zwolle (college)
Datum uitspraak: 8 april 2026

PROCESVERLOOP

In de uitspraak van 14 oktober 2025 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet is betaald.
Appellant heeft verzet gedaan.
De Raad heeft het verzet op 23 maart 2026 ter zitting behandeld. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Appellant heeft in zijn verzetschrift aangevoerd dat hij de aangetekende brief, te weten de betalingsherinnering omtrent het verschuldigde griffierecht, in de vakantieperiode niet kon afhalen omdat het betreffende postkantoor tijdens de vakantieperiode gesloten zou zijn. Vervolgens bleek de brief vanwege het niet kunnen ophalen retour te zijn gestuurd naar de afzender.
Op 4 februari 2026 heeft de Raad appellant schriftelijk gevraagd of hij kon aantonen dat het betreffende postkantoor tijdens de door hem gestelde periode inderdaad gesloten was. Op 13 februari 2026 heeft appellant hierop gereageerd dat hij dit helaas niet kon.
In onderhavige zaak gaat het om het feit dat het verschuldigde griffierecht niet is betaald. Zoals opgenomen in de uitspraak van de Raad van 14 oktober 2025 is de eerste nota hieromtrent aan appellant toegezonden op 16 juni 2025. Deze nota is door de Raad niet retour ontvangen. Hierdoor gaat de Raad ervanuit dat appellant deze brief heeft ontvangen.
Appellant is dus op de hoogte geweest van het feit dat hij het verschuldigde griffierechtbedrag binnen de gestelde termijn moest voldoen. Dat appellant stelt dat hij de aangetekende brief niet af heeft kunnen halen, staat los van het feit dat het griffierecht voldaan moet worden.
Hetgeen in onderhavige zaak voor ligt, de vraag waarom het griffierecht niet is betaald, blijft hierdoor onbeantwoord.
De Raad is van oordeel dat appellant in verzet geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest.
Dit betekent dat het verzet ongegrond wordt verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling van het verzet is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.W.L. Koopmans, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.
(getekend) R.W.L. Koopmans
(getekend) D. Semiz