Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:440

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
25/918 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewetuitkering na beoordeling geschiktheid voor WIA-functies

Appellante was sinds 2016 ziekgemeld en ontving diverse uitkeringen op grond van de Wet WIA, Ziektewet (ZW) en Wet arbeid en zorg (WAZO). Na een herbeoordeling in 2022 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 46,38%. In november 2023 oordeelde een verzekeringsarts dat appellante geschikt was voor drie geselecteerde functies binnen de WIA-beoordeling. Het UWV beëindigde daarop haar ZW-uitkering per 24 november 2023.

Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij door psychische klachten, waaronder een depressie en angststoornissen, niet in staat was de functies te verrichten. De rechtbank oordeelde echter dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en dat de medische beoordeling de conclusie ondersteunde dat haar beperkingen niet waren toegenomen. De rechtbank nam daarbij ook kennis van nieuwe diagnoses zoals agorafobie, maar stelde vast dat deze pas na de datum in geding waren ontstaan.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het UWV terecht had geconcludeerd dat appellante geschikt was voor ten minste drie functies met voldoende arbeidsplaatsen en dat haar arbeidsgeschiktheid ten minste 65% bedroeg. De Raad vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling en verwierp het hoger beroep. De beëindiging van de ZW-uitkering blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De beëindiging van de ZW-uitkering per 24 november 2023 wordt bevestigd omdat appellante geschikt is voor ten minste drie WIA-functies zonder toegenomen beperkingen.

Uitspraak

25/918 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 maart 2025, 24/5750 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak:9 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellante per 24 november 2023 heeft beëindigd. Volgens appellante was zij toen door haar (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt van appellante niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Voor appellante is mr. Willering verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door Y. Huisman.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante was werkzaam als medewerkster klantenservice en heeft zich op 12 september 2016 ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv bij besluit van 11 september 2018 aan appellante met ingang van 10 september 2018 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Daarnaast werkte appellante vanaf 1 april 2019 opnieuw als medewerkster klantenservice. Bij besluit van 3 april 2019 heeft het Uwv aan appellante per 10 juni 2019 een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80-100%. Op 23 september 2020 is appellante uitgevallen met toegenomen klachten. Bij besluit van 16 november 2020 is aan appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend per 2 november 2020. Bij besluit van 23 november 2021 is aan appellante een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) toegekend tot 12 maart 2022. Bij besluit van 1 april 2022 heeft het Uwv per 11 maart 2022 een ZWuitkering aan appellante toegekend vanwege zwangerschaps- of bevallingsklachten.
1.2.
Op 20 april 2022 heeft de ex-werkgever van appellante verzocht om een herbeoordeling. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 3 augustus 2022 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante vastgesteld op 43,56%. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met een besluit van 15 december 2022 heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 46,38%. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
1.3.
Bij besluit van 18 april 2023 heeft het Uwv aan appellante een WAZO-uitkering toegekend van 24 april 2023 tot 14 augustus 2023. Per 14 augustus 2023 is opnieuw een ZW-uitkering aan appellante toegekend. Vervolgens heeft een verzekeringsarts onderzoek verricht. Deze arts heeft appellante per 24 november 2023 geschikt geacht voor de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies van Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), Productiemedewerker confectie, kleermaken (SBC-code 272042) en Huishoudelijk medewerker gebouwen (SBCcode 111334). Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 21 november 2023 de ZWuitkering van appellante per 24 november 2023 beëindigd.
1.4.
Bij besluit van 19 september 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat appellante per 24 november 2023 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek als zorgvuldig beoordeeld. Alle medische gegevens zijn op een deugdelijke en kenbare wijze bij de medische beoordeling betrokken. De rapporten zijn inzichtelijk, bevatten geen tegenstrijdigheden en het onderzoek kan de getrokken conclusies dragen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft geconcludeerd dat op de datum in geding de beperkingen van appellante niet zijn toegenomen, zodat daarmee is gegeven dat appellante geschikt moet worden geacht voor de in het kader van de WIAbeoordeling geselecteerde functies. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gereageerd op het beroepschrift en de na het bestreden besluit door appellante ingebrachte brief van GZ-psycholoog M.M. Hulstijn (Arkin) van 11 juli 2024. Die brief sluit aan bij de diagnose gesteld in de brief van GZ-psycholoog M. Tasci van 15 januari 2024 dat appellante lijdt aan een posttraumatische stressstoornis en een depressieve stoornis, matig van ernst. Dat in de brief van Hulstijn nu ook de diagnose agorafobie is gesteld, is nieuw. De angst voor omgaan met andere (onbekende) mensen lijkt na de datum in geding te zijn ontstaan dan wel verergerd. Met deze beperking is overigens in de geduide functies al rekening gehouden, doordat in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) beperkingen zijn aangenomen voor samenwerken en intensief klant- en patiëntencontact. Appellante wordt nog wel in staat geacht om enig contact te hebben met collega’s (en onbekenden), aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De rechtbank acht het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de beperkingen die voortvloeien uit de psychische klachten, gelet op de toelichting, goed navolgbaar.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat zij de geduide functies niet kan verrichten door een depressie en angstklachten. Zij heeft moeite met contact met anderen, slechte concentratie en is erg vermoeid. Om die reden zijn de functie Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), de functie Productiemedewerker confectie, kleermaken (SBC-code 272042) en de functie Huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334) voor haar niet geschikt. Appellante heeft zich verder op het standpunt gesteld dat op de datum in geding, 24 november 2023, al sprake was van agorafobie.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het oordeel van de Raad
5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de hersteldverklaring van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19 van Pro de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
5.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer heeft ziekgemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022 [1] . Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een hersteldverklaring niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van Pro de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de betrokkene geschikt gebleven, én
2) op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIA-beoordeling vertegenwoordigen, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
5.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een beëindiging van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van Pro de ZW te kunnen dragen. Indien de medische beperkingen van betrokkene ten opzichte van de WIA-beoordeling op een of meer punten van de FML zijn toegenomen, dan moet worden beoordeeld in hoeverre dit consequenties heeft voor de geschiktheid van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
5.4.
De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden geheel onderschreven.
5.5.
Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende toegelicht dat de diagnose agorafobie voor het eerst ruim na de datum in geding wordt genoemd in het schrijven van psycholoog Hulstijn van 11 juli 2024. Om die reden is aangesloten bij de informatie van de psycholoog van 15 januari 2024, die aansluit bij de klachten waar de primaire verzekeringsarts vanuit ging. Appellante heeft geen medische gegevens overgelegd die aanleiding geven om aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen.
5.6.
Omdat geen twijfel bestaat over het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat geen sprake is van toegenomen beperkingen ten opzichte van de beoordeling in 2022, wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de geschiktheid van de functies.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) C.E.A. Tessemaker

Voetnoten

1.CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.