Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:434

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
24/105 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 ParticipatiewetArt. 4 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenArt. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 7:12 Algemene wet bestuursrechtArt. 30b Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering permanente ontheffing arbeidsverplichting bijstand wegens onvoldoende bewijs duurzame arbeidsongeschiktheid

Appellant, een bijstandsgerechtigde, verzocht om permanente ontheffing van de arbeidsverplichting op grond van artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet (PW), omdat hij duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zou zijn. Het dagelijks bestuur verleende hem meerdere tijdelijke ontheffingen wegens dringende redenen, maar wees het verzoek om permanente ontheffing af na een medisch belastbaarheidsonderzoek door Calder Werkt.

De rechtbank Zeeland-West-Brabant vernietigde het besluit van het dagelijks bestuur omdat het advies van Calder Werkt niet zorgvuldig tot stand was gekomen en onvoldoende was gemotiveerd. De rechtbank gaf het dagelijks bestuur opdracht een nieuwe beslissing te nemen. Tijdens de procedure bij de Centrale Raad van Beroep had het dagelijks bestuur nog geen nieuw besluit genomen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep van appellant niet slaagt omdat de aanvraag en besluitvorming over de permanente ontheffing niet aan de orde waren in het bestreden besluit. De Raad bevestigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het dagelijks bestuur moet de beoordeling van de duurzame en volledige arbeidsongeschiktheid opnieuw uitvoeren en een nieuw besluit nemen. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond, waardoor het besluit tot tijdelijke ontheffing in stand blijft.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/105 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 november 2023, 22/5668 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het dagelijks bestuur van gemeenschappelijke regeling Samenwerking De Bevelanden (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 14 april 2026

SAMENVATTING

In deze zaak gaat het om een tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet (PW). Appellant heeft aangevoerd dat hij op grond van artikel 9, vijfde lid, van de PW, permanent ontheven moet worden van de arbeidsverplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW omdat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschiktheid is. Appellant krijgt geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Moghni, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 januari 2026. Voor appellant is mr. N. Talhaoui, advocaat, verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.G. van Binnendijk en J.C.M. Sandoz.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Wat aan de besluitvorming in deze procedure voorafging
1.1.
Appellant ontvangt een uitkering op grond van de PW naar de norm van een alleenstaande.
1.2.
Op grond van een onderzoek heeft het dagelijks bestuur appellant tijdelijk ontheven van de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de PW over de periode van 23 mei 2016 tot en met 31 mei 2019 vanwege dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de PW.
1.3.
Het dagelijks bestuur heeft appellant opgeroepen voor een gesprek op 22 mei 2019 in verband met het aflopen van de tijdelijke ontheffing van zijn arbeidsverplichtingen. Naar aanleiding van dat gesprek heeft het dagelijks bestuur appellant opnieuw tijdelijk ontheven van de arbeidsverplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW over de periode van 1 juni 2019 tot en met 31 mei 2022 vanwege dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de PW.
1.4.
Appellant is opgeroepen voor een gesprek op 25 mei 2022 in verband met het aflopen van de tijdelijke ontheffing van zijn arbeidsverplichtingen. Naar aanleiding van dat gesprek heeft het dagelijks bestuur appellant met een besluit van 25 mei 2022 opnieuw tijdelijk ontheven van de arbeidsverplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW over de periode van 1 juni 2022 tot en met 31 mei 2025 vanwege dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de PW.
1.5.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 25 mei 2022. Hij wil blijvend worden vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en sub b, van de PW. Verder is hem onbekend hoe het zit met zijn arbeidsverplichtingen in het kader van de tegenprestatie, bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en sub c, van de PW.
1.6.
Het dagelijks bestuur heeft appellant naar aanleiding van zijn bezwaar gevraagd om mee te werken aan een medische keuring, zodat kan worden vastgesteld in hoeverre hij duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is als bedoeld in het vijfde lid van artikel 9 van Pro de PW. Appellant wilde daar niet aan meewerken. Tijdens de hoorzitting van 10 oktober 2022 heeft appellant te kennen gegeven dat hij alsnog wil meewerken aan een medisch onderzoek om vast te stellen of hij duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is. Het dagelijks bestuur heeft dit opgevat als aanvraag om op grond van artikel 9, vijfde lid, van de PW permanent ontheven te worden van de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de PW en die aanvraag apart behandeld.
1.7.
Met een besluit van 24 oktober 2022 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 mei 2022 ongegrond verklaard. Over dit besluit gaat de onderhavige procedure.
Wat zich na de besluitvorming tussen partijen heeft afgespeeld
1.8.
Appellant is aangemeld voor een medisch belastbaarheidsonderzoek bij Calder Werkt. Op 9 februari 2023 heeft Calder Werkt een advies uitgebracht waaruit volgt dat appellant in staat wordt geacht om voor 8 tot 10 uur per week deel te nemen aan het arbeidsproces, mits rekening wordt gehouden met zijn beperkingen.
1.9.
Tijdens de zitting bij de rechtbank over het beroep tegen het bestreden besluit van 24 oktober 2022 – waarover de onderhavige procedure gaat – is door appellant een (mondelinge) aanvraag om ontheffing van de arbeidsverplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de PW gedaan op grond van dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de PW.
1.10.
Het dagelijks bestuur heeft appellant met een besluit van 7 december 2023, na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 14 mei 2024, ontheven van de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de PW voor de periode van 1 december 2023 tot en met 31 mei 2025. De arbeidsverplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b van de PW blijft wel van toepassing. Dit besluit is genomen in het kader van de aanvragen genoemd onder 1.6 en 1.9 en op grond van de uitkomst van het medisch belastbaarheidsonderzoek zoals vermeld in 1.8.
1.11.
Met een besluit van 2 juli 2025 heeft het dagelijks bestuur appellant tijdelijk ontheven van de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de PW, vanwege dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de PW voor een periode van drie jaar. De tijdelijke ontheffing geldt voor de periode van 26 juni 2025 tot en met 1 juli 2028. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
1.12.
Op 28 oktober 2025 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan op het tegen het besluit van 14 mei 2024 ingestelde beroep. [1] De rechtbank heeft beoordeeld of het dagelijks bestuur op goede gronden heeft geweigerd om appellant op grond van artikel 9, vijfde lid, van de PW een permanente ontheffing te verlenen van de arbeidsverplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW. De rechtbank heeft, samengevat en voor zover hier van belang, geoordeeld dat het advies van Calder Werkt niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard omdat het besluit van 14 mei 2024 in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is genomen, dat besluit vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2023 te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Ten tijde van de zitting bij de Raad in de hier voorliggende procedure had het dagelijks bestuur ter uitvoering van die uitspraak nog geen nieuw besluit genomen.
Uitspraak van de rechtbank in deze procedure
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW wegens dringende redenen als bedoeld in artikel, tweede lid, van de PW, in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Zoals ter zitting besproken handhaaft appellant zijn beroepsgronden over ontheffing van de arbeidsverplichtingen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de PW vanwege dringende redenen als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de PW niet. De gronden die daarop zien behoeven dus geen bespreking.
4.3.
Appellant wenst van de Raad alleen nog een oordeel over de vraag of hij permanent moet worden ontheven van de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW op grond van artikel 9, vijfde lid, van de PW omdat hij vanwege zijn gezondheidssituatie duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Deze beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang.
4.3.1.
In artikel 9, eerste lid, van de PW staan de verplichtingen tot arbeidsinschakeling. Artikel 9, tweede lid, van de PW biedt het college de mogelijkheid om in individuele gevallen tijdelijk ontheffing te verlenen van de verplichtingen genoemd in het eerste lid, onderdelen a en c, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. De verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, b en c, van de PW zijn niet van toepassing op een persoon die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de WIA Dit volgt uit het vijfde lid. Als dat het geval is wordt gesproken van een ‘permanente ontheffing’ van die verplichtingen.
4.3.2.
Uit het dossier volgt dat aan het besluit van 25 mei 2022 geen aanvraag om een permanente ontheffing van het eerste lid, aanhef en onder b, van artikel 9 van Pro de PW ten grondslag ligt. Zoals volgt uit 1.6 is tijdens de hoorzitting over het bezwaar tegen het besluit van 25 mei 2022 een (mondelinge) aanvraag om een permanente ontheffing van de arbeidsverplichtingen gedaan. Het dagelijks bestuur heeft deze aanvraag afzonderlijk van de onderhavige procedure beoordeeld. In dat kader heeft het dagelijks bestuur appellant opgeroepen voor een medisch belastbaarheidsonderzoek om vast te stellen of appellant volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet WIA. Vervolgens is het besluit van 7 december 2023 genomen.
4.3.3.
Het dagelijks bestuur heeft met het besluit van 7 december 2023 het verzoek om permanente ontheffing op grond van artikel 9, vijfde lid, van de PW zoals bedoeld in 1.6 afgewezen. Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar van 14 mei 2024. De rechtbank ZeelandWestBrabant heeft daarop de uitspraak als genoemd onder 1.12 gedaan. Dit betekent dat de beoordeling of appellant op grond van het vijfde lid van artikel 9 van Pro de PW permanent moet worden ontheven van de arbeidsverplichting van onderdeel b van het eerste lid van artikel 9 omdat Pro hij duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet WIA, weer bij het dagelijks bestuur ligt. Het dagelijks bestuur moet ter uitvoering van de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank opnieuw de volledigheid en duurzaamheid van appellants arbeidsongeschiktheid beoordelen en vervolgens een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 december 2023 nemen. Indien en voor zover het dagelijks bestuur geen permanente ontheffing op grond van artikel 9, vijfde lid, van de PW verleent kan appellant in die procedure aanvoeren dat en waarom hij meent dat hij duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is.
4.4.
Samengevat geldt het volgende. De aanvraag, de besluitvorming van het dagelijks bestuur en de aangevallen uitspraak van rechtbank die de Raad moet beoordelen gaan niet en kunnen niet gaan over de verplichting op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW. De beroepsgrond die dit tot onderwerp heeft kan dus niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Er liggen ook geen andere beroepsgronden ter beoordeling (meer) voor.

Conclusie en gevolgen

4.5.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover aangevochten, bevestigd. Dit betekent dat het besluit van 25 mei 2022, waarbij appellant tijdelijk is ontheven van de arbeidsverplichting van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW, in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en C. Karman en D.H. Harbers als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van 't Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) C.C.M. van 't Hol

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 9, eerste lid, van de Participatiewet
De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:
a. naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b. gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a;
c. naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
Artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en c. Zorgtaken kunnen als dringende redenen worden aangemerkt, voorzover hiermee geen rekening kan worden gehouden door middel van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a.
Artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet
De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, zijn niet van toepassing op de belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.