Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:433

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
23/3032 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging Ziektewet-uitkering na medische beoordeling Wet WIA-functies

Appellant werkte als magazijnmedewerker en meldde zich in maart 2019 ziek met psychische en lichamelijke klachten. Na beëindiging van het dienstverband kende het UWV hem een Ziektewet-uitkering toe. In het kader van de Wet WIA werd vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna de WIA-uitkering werd geweigerd. Appellant maakte bezwaar en werd geschikt geacht voor meerdere functies met een arbeidsongeschiktheid van circa 14,69%.

In november 2021 meldde appellant zich opnieuw ziek vanwege gewenning aan medicatie. Het UWV beëindigde de ZW-uitkering per 19 januari 2022, omdat appellant volgens verzekeringsartsen geschikt was voor de eerder geselecteerde WIA-functies. Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij een verzekeringsarts en een onafhankelijke psychiater werden ingeschakeld. De psychiater stelde dat appellant fors beperkt was in persoonlijk functioneren door complexe traumatisering en depressiviteit, maar kon de ernst niet objectief onderbouwen.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de beperkingen niet leidden tot ongeschiktheid voor de WIA-functies. De Raad volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundige en verzekeringsarts, oordeelde dat de medische beperkingen niet waren toegenomen en bevestigde dat de ZW-uitkering terecht was beëindigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de ZW-uitkering per 19 januari 2022 terecht is beëindigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/3032 ZW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 september 2023, 22/5984 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 19 januari 2022 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij op dat moment door zijn medische beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de beoordeling inzake Wet WIA geselecteerde functies te vervullen. De Raad volgt dit standpunt van appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.G.A.M. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 mei 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Riet.
De Raad heeft het onderzoek heropend en vervolgens psychiater dr. J.A. Bouwens benoemd als deskundige. De deskundige heeft op 15 december 2024 een rapport uitgebracht.
Partijen hebben hun zienswijze op het deskundigenrapport gegeven en over en weer gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Puister.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant werkte als magazijnmedewerker/heftruckchauffeur voor gemiddeld 36,04 uur per week. Op 21 maart 2019 heeft hij zich ziekgemeld met psychische en lichamelijke klachten. Nadat het dienstverband met appellant op 5 april 2019 was beëindigd, heeft het Uwv hem per die datum een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Per einde wachttijd heeft een verzekeringsarts van het Uwv de arbeidsbeperkingen voor appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 februari 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. Deze arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en aan de hand daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 9,42%. Het Uwv heeft bij besluit van 12 maart 2021 geweigerd appellant met ingang van 18 maart 2021 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 6 augustus 2021 heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de voor appellant vastgestelde FML aangescherpt met een beperking op beoordelingspunt 5.7 (werken boven schouderhoogte met de rechterarm) en heeft de beperkingen vastgelegd in een FML van 13 juli 2021. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft aan de hand hiervan een nieuwe functieselectie verricht waarbij appellant geschikt geacht is voor de functies wikkelaar (nieuw en revisie) (SBC-code 267053), assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBCcode 267071) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180). De mate van arbeidsongeschiktheid heeft hij berekend op 14,69%. Appellant is met ingang van 18 maart 2021 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
1.3.
Appellant heeft zich per 5 november 2021 vanuit de situatie van werkloosheid opnieuw ziekgemeld in verband met de gewenning aan nieuwe medicatie die hij ontving. In verband met deze ziekmelding heeft een verzekeringsarts dossieronderzoek verricht, telefonisch contact opgenomen met appellant en een rapport opgesteld. Deze verzekeringsarts heeft het aannemelijk geacht dat de medicatie van appellant moest inwerken en heeft appellant van 5 november 2021 tot 19 januari 2022 tijdelijk toegenomen arbeidsongeschikt geacht. Per 19 januari 2022 heeft de verzekeringsarts appellant weer arbeidsgeschikt geacht voor zijn eigen werk, zijnde één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 18 januari 2022 de ZWuitkering van appellant per 19 januari 2022 beëindigd. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt.
1.4.
Bij besluit van 12 augustus 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de in bezwaar ingebrachte informatie van psychiater M. Mulder van 12 april 2022 en de huisarts geen reden gezien om het ingenomen standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant per 19 januari 2022 geschikt geacht voor alle in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellant naar aanleiding van zijn beroepsgrond dat hij niet fysiek door een verzekeringsarts is gezien, gedurende de fase van het beroep alsnog heeft uitgenodigd voor een fysiek spreekuur, waarbij appellant is onderzocht en hij met appellant heeft gesproken. Dit betekent dat het bestreden besluit een gebrek bevat. De rechtbank heeft dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht gepasseerd. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het medisch onderzoek (in beroep) zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn conclusies in de rapporten van 12 augustus 2022 en 20 december 2022 op inhoudelijk overtuigende wijze en zonder tegenstrijdigheden gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met de aangenomen beperkingen onderkend dat appellant nog niet hersteld is, maar benoemd dat de door appellant ingebrachte medische informatie van psychiater Mulder van 12 april 2022 geen ander licht werpt op de medische belastbaarheid van appellant. Op de datum in geding was nog niet gestart met een intensieve behandeling. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de psychische belastbaarheid voldoende heeft toegelicht. Een andere of zwaardere diagnose betekent volgens de rechtbank niet dat andere of zwaardere beperkingen moeten worden aangenomen. In de systematiek van de ZWbeoordeling zijn niet de ervaren klachten of de diagnose doorslaggevend maar de mate waarin beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid als gevolg van die klachten objectief medisch kunnen worden onderbouwd. Ook ten aanzien van de liesklachten is de rechtbank niet gebleken dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft miskend. Dat de primaire verzekeringsarts in het kader van de WIA-beoordeling een andere diagnosecode heeft aangehaald dan in het kader van een eerdere beoordeling, geeft geen reden te twijfelen aan het medisch oordeel. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de liesklachten van appellant bekend waren en dat is vastgehouden aan de beperkingen zoals vastgesteld bij de WIAbeoordeling. De andere diagnose heeft dan ook niet geleid tot andere beperkingen. Het Uwv heeft terecht vastgesteld dat appellant per 19 januari 2022 geschikt is voor zijn eigen werk en de ZW-uitkering terecht beëindigd. De rechtbank heeft aanleiding gezien het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten en het door appellant betaalde griffierecht.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant is hij meer beperkt dan het Uwv heeft aangenomen. In dit verband heeft hij er onder meer op gewezen dat de eerder vastgestelde diagnose van klinisch psycholoog M. Groenendijk ‘depressieve stoornis eenmalige episode- matig’ door psychiater Mulder op 12 april 2022 is aangepast naar de diagnose, ‘depressieve stoornis: recidiverende episode-matig, en voorgestelde behandeling, GGZ basis-zeer intensief’. Appellant heeft de Raad verzocht een onafhankelijke psychiater te benoemen.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het rechtsgevolg van het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering van appellant per 19 januari 2022 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 19 van Pro de ZW heeft een betrokkene recht op een ZW-uitkering als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
5.2.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022. [1] Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een beëindiging niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies.
Bij de toepassing van artikel 19 van Pro de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
  • van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
  • op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIA-beoordeling vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
5.3.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een beëindiging van een ZW-uitkering op grond van artikel 19 van Pro de ZW te kunnen dragen.
5.4.
De Raad heeft zich gelet op de verschillende medische stukken in het dossier afgevraagd of de voor appellant vastgestelde beperkingen in met name de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren van de FML juist zijn vastgesteld. De twijfel bij de Raad is gevoed doordat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 13 juli 2021 (WIA-beoordeling) is uitgegaan van een andere diagnose dan gesteld door psychiater Mulder, psychiater Mulder appellant geïndiceerd heeft geacht voor een intensieve behandeling binnen de basis GGZ en appellant kort na de datum is doorverwezen naar de psychiater voor verdere behandeling. De Raad heeft aanleiding gezien om psychiater Bouwens als deskundige te benoemen. In zijn rapport van 5 juni 2025 heeft de deskundige vastgesteld dat er ten tijde van zijn onderzoek sprake is van depressiviteit gesuperponeerd op een onderliggende kwetsbare persoonlijkheid waarbij het beeld nog het beste te passen valt bij de beschrijving van complexe traumatisering. Hoewel er geen objectiveerbare informatie beschikbaar is van rondom de datum in geding, acht de deskundige het aannemelijk dat dit beeld ook als zodanig aanwezig was op de datum in geding. De deskundige heeft over de ernst daarvan geen objectiveerbare uitspraak kunnen doen. De deskundige heeft ten aanzien van beperkingen voor appellant op de datum in geding gerapporteerd dat hij inschat dat er sprake was van enige mate van beperking in cognitieve flexibiliteit met een in enige mate verminderd vermogen om de aandacht of doelgerichtheid op relevante zaken te richten. Op affectief gebied is er enige mate van somberheid en die al langere tijd aanhield. Dat zal appellant in enige mate beperkt hebben in het doelgericht bezig zijn en in enige mate tot mentale uitputting hebben geleid. Op conatief gebied was er destijds ook sprake van passiviteit, het vermogen van betrokkene om zich daartegen te verzetten zal in enige mate beperkt zijn geweest. Wel is het objectiveerbaar dat appellant in het persoonlijk functioneren destijds fors beperkt was.
5.5.
Appellant heeft in zijn zienswijze naar voren gebracht dat hij zich kan vinden in het standpunt van de deskundige Bouwens dat hij fors beperkt is in zijn persoonlijk functioneren.
5.6.
Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 29 juli 2025 naar voren gebracht dat het rapport van de deskundige Bouwens geen aanleiding geeft het standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich kunnen vinden in het door de deskundige geschetste toestandsbeeld van appellant op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar voren gebracht dat de deskundige ten aanzien van de beperkingen een andere systematiek hanteert dan die aan de FML ten grondslag ligt. De door de deskundige vastgestelde beperkingen zijn daardoor ook niet één op één passend bij/vergelijkbaar met de items in de FML. De gestelde beperkingen leiden echter niet tot ongeschiktheid voor de maatstaf ZW. Ten aanzien van de door de deskundige benoemde beperkingen in cognitieve flexibiliteit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschreven dat de aandacht bij het deskundigenonderzoek ongestoord bleek en appellant zich de onderwerpen uit het eerste gesprek goed kon herinneren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarom geen reden gezien om ten aanzien van aandacht en geheugenfuncties af te wijken van de normaalwaarden in de FML. De verminderde cognitieve flexibiliteit houdt voor arbeid in dat het moet gaan om arbeid die redelijk voorspelbaar is en waarin flexibel kunnen inspelen op wisselende uitvoeringsomstandigheden en/of taakinhoud geen functie-eis is. Dit is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML voldoende gewaarborgd door de beperking bij beoordelingspunt 1.8.2 (appellant is aangewezen op een voorspelbare werksituatie, nader beschreven als aangewezen op structuur en regelmaat) van de FML. Wat de beperkingen in de affectieve functies betreft, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar voren gebracht dat dit met name het ervaren en uiten van emoties betreft. Daarmee lijkt er reden voor het aannemen van een aanvullende beperking voor het uiten van eigen gevoelens. Echter de duiding door de deskundige, namelijk dat het een beperking betreft die met name voor appellant zelf lastig is, omdat het niet adequaat uiten van gevoelens bij hem leidt tot somberheid en angst, is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep van ondergeschikt belang voor de uitoefening van de WIA-functies. Het adequaat kunnen uiten van eigen gevoelens en omgaan met de emoties van anderen speelt geen relevante rol in de WIA-functies. Wat betreft de beperkingen in de conatieve functies (plannen, uitvoeren en controleren van handelingen) heeft de verzekeringsarts overwogen dat functies met veel vrijheid en eigen inbreng niet geschikt zijn. Dergelijke functies zijn niet voorgehouden. De door de psychiater gestelde beperking vertoont overeenkomsten met de beperking op 1.8.2 van de FML en de beperking voor samenwerken.
5.7.
Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige volgt, indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich in deze zaak voor. Het rapport van de door de Raad ingeschakelde deskundige van 15 december 2024 geeft blijk van een zorgvuldig en uitvoerig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige is in zijn rapport ingegaan op de medische gegevens van de behandelaars van appellant en heeft uitvoerig onderzoek verricht waarbij hij twee gesprekken heeft gevoerd met appellant en ook met de echtgenote van appellant heeft gesproken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 29 juli 2025 gemotiveerd toegelicht waarom appellant met inachtneming van de bevindingen van de deskundige, en zoals vertaald naar de systematiek van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem, geschikt te achten is voor de in het kader van de WIA geselecteerde functies. In wat appellant daartegen heeft aangevoerd ziet de Raad onvoldoende aanleiding om de door hem ingeschakelde deskundige niet te volgen of de zienswijze van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 29 juli 2015 onjuist te achten. Appellant wordt dan ook niet gevolgd in zijn standpunt dat het recidiverende ernstige karakter van zijn depressiviteit met trauma en chronische pijn onvoldoende vertaald is naar beperkingen in de FML en aanleiding had moeten geven voor aanvullende beperkingen voor tempodruk, stresstolerantie, prikkelbaarheid en een urenbeperking. Appellant heeft geen medische informatie ingezonden die dit standpunt onderbouwt. Voor zover appellant heeft verwezen naar informatie van behandelaars uit januari 2020 en van 12 april 2022 en daarin genoemde diagnoses en classificaties, heeft de deskundige in zijn rapport geconcludeerd dat er geen argumenten en geen objectieve gegevens ter onderbouwing van die diagnoses en classificatie worden gegeven.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering per 19 januari 2022 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) C.E.A. Tessemaker

Voetnoten

1.CRvB 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.