Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:429

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
25/886 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57, eerste lid, onderdeel b, Wet WIAArt. 56 Wet WIAArt. 2, vijfde lid, Schattingsbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken toegenomen beperkingen binnen vijf jaar

Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd op grond van vermeende toegenomen beperkingen sinds 8 februari 2022, voortvloeiend uit dezelfde ziekteoorzaak als de eerdere WIA-uitkering die per 14 mei 2020 werd beëindigd. Het UWV heeft deze aanvraag afgewezen omdat de beperkingen niet zijn toegenomen binnen de wettelijke termijn van vijf jaar.

De rechtbank Rotterdam heeft het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond verklaard, waarbij zij het medisch onderzoek en de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep als zorgvuldig en overtuigend heeft beoordeeld. Appellant voerde aan dat zijn psychische en fysieke klachten, waaronder chronische pijn en jicht, waren toegenomen, mede door ingrijpende persoonlijke omstandigheden.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht het besluit van het UWV in stand heeft gelaten. De Raad concludeert dat de medische informatie die appellant heeft ingebracht geen aanleiding geeft om het oordeel over de belastbaarheid per 8 februari 2022 te wijzigen. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft gehandhaafd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een WIA-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen binnen vijf jaar.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/886 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 april 2025, 24/3021 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat bij appellant met ingang van 8 februari 2022 geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na 14 mei 2020 in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen door zijn psychische en fysieke klachten, dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.B. Ullah, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken overgelegd. Het Uwv heeft een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ullah. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M.W. Beers
.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als distributie/productiemedewerker voor 40,31 uur per week. Op 16 september 2009 heeft hij zich ziekgemeld met gezondheidsklachten. Het Uwv heeft appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Per 1 februari 2014 is de uitkering gewijzigd naar een WGAloonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80-100%.
1.2.
Bij besluit van 27 september 2017 heeft het Uwv medegedeeld dat de WIA-uitkering van appellant niet wijzigt en vastgesteld dat appellant per 22 september 2017 47,09% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 2 mei 2018 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 25 juni 2019 de uitkering gewijzigd naar een WGA-vervolguitkering waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 45-55%. Naar aanleiding van een melding van appellant heeft het Uwv bij besluit van 16 oktober 2019 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 53,67%. Met een besluit van 23 maart 2020 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 oktober 2019 ongegrond verklaard en vastgesteld dat de WIA-uitkering per 14 mei 2020 wordt beëindigd omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.3.
Naar aanleiding van een melding van appellant over een verandering in zijn gezondheid heeft het Uwv na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 1 juli 2020 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 19,69% en medegedeeld dat de uitkering per 14 mei 2020 ingetrokken blijft, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. In het kader van deze beoordeling is een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld op 24 juni 2020.
1.4.
Appellant heeft zich op 31 augustus 2022 opnieuw bij het Uwv gemeld met toegenomen klachten met ingang van 8 februari 2022. Na onderzoek door een arts van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 7 november 2022 geweigerd appellant een WIAuitkering toe te kennen, omdat de beperkingen van appellant (uit dezelfde oorzaak) niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de beëindiging van de WIA-uitkering per 14 mei 2020.
1.5.
Bij besluit van 5 maart 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep acht -evenals de primaire arts- appellant per 8 februari 2022 beperkt conform de FML van 24 juni 2020.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellant niet voor een WIA-uitkering in aanmerking komt, omdat geen sprake is van een toename van klachten uit dezelfde ziekteoorzaak die kan leiden tot toekenning van een WIA-uitkering op grond van de Amber-regeling. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft duidelijk en inzichtelijk uiteengezet dat appellant niet voldoet aan de in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit opgenomen criteria op basis waarvan kan worden aangenomen dat iemand geen benutbare mogelijkheden (GBM) heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat niet kan worden geconcludeerd dat appellant niet zelfredzaam was op de datum in geding. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep rekening gehouden met zowel de psychische als lichamelijke klachten van appellant, waaronder de chronische pijn- en jichtklachten. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht waaruit blijkt dat er meer of verdergaande beperkingen hadden moeten worden.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van een toename van klachten uit dezelfde ziekteoorzaak en om die reden een toekenning van een WIA-uitkering aan de orde is. Volgens appellant had hij GBM op de datum in geding als gevolg van een ernstige psychische stoornis. Daarbij was sprake van chronische pijnklachten, jicht en ingrijpende omstandigheden in zijn persoonlijk leven. Er zijn meerdere familieleden overleden en appellant is zijn woning kwijtgeraakt.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering een WIA-uitkering toe te kennen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op grond van artikel 56 is Pro geëindigd en voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.
5.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft deze gronden gemotiveerd besproken. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om aan te nemen dat sprake is van toegenomen beperkingen op 8 februari 2022 ten opzichte van de FML van 24 juni 2020. Over de medische informatie die appellant in hoger beroep heeft ingebracht, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 19 februari 2026 uiteengezet dat die informatie van recente datum is en waarom die informatie geen betrekking heeft op de datum in geding 8 februari 2022. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de medische situatie van appellant ten opzichte van 2022 achteruit is gegaan en voldoende gemotiveerd dat de recente informatie geen aanleiding geeft om de per 8 februari 2022 aangenomen belastbaarheid te wijzigen.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van C.E.A. Tessemaker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.

(getekend) S. Wijna

(getekend) C.E.A. Tessemaker