Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:428

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
23/2530 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WAOArt. 44 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid per 1 maart 2022

Appellant ontvangt sinds 1999 een WAO-uitkering, die in de loop der jaren is herzien. Na een ongeval in 2017 en een ziekmelding, heeft het UWV per 1 maart 2022 de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%, gebaseerd op medisch en arbeidskundig onderzoek. Appellant betwist deze vaststelling en stelt dat hij meer beperkingen heeft en de geselecteerde functies niet passend zijn.

De rechtbank heeft het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten, waarbij zij oordeelde dat het UWV zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en rekening heeft gehouden met alle relevante medische klachten, waaronder PTSS en traumata. Appellant is het hier niet mee eens en voert hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep beoordeelt het hoger beroep en concludeert dat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die het eerdere oordeel kunnen wijzigen. De Raad wijst erop dat het betwisten van de passendheid van functies te laat is ingebracht en daarom niet wordt behandeld. De Raad bevestigt het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de herziening van de WAO-uitkering naar 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid per 1 maart 2022 gehandhaafd blijft.

Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht omdat het hoger beroep niet slaagt.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid per 1 maart 2022 wordt bevestigd.

Uitspraak

23/2530 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 juni 2023, 22/4052 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 1 maart 2022 heeft vastgesteld op 35 tot 45%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. W. Parsowa hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij uitspraak van 20 juni 2024 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, wegens een niet verschoonbaar geachte overschrijding van de termijn van het hoger beroepschrift.
Appellant heeft hiertegen verzet aangetekend.
Bij uitspraak van 14 mei 2025 heeft de Raad het verzet gegrond verklaard, de uitspraak van 20 juni 2024 als vervallen verklaard en bepaald dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
Bij brief van 2 juli 2025 heeft mr. I. de Vink zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 25 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Vink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft vanaf 1999 uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, in 2008 herzien naar de klasse 25 tot 35%. In verband met inkomsten uit arbeid werd de uitkering met ingang van 1 maart 2017 met toepassing van artikel 44 van Pro de WAO niet uitbetaald. Op 1 december 2017 heeft appellant zich ziekgemeld met klachten als gevolg van een ongeval. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode heeft het Uwv appellant met ingang van 24 november 2019 een voorschot op een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Een onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 januari 2022. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk en vervolgens voor appellant functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35,96%. Het Uwv heeft bij besluit van 3 februari 2022 de WAO-uitkering met ingang van 1 maart 2022 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. De voorschotten die voor 1 maart 2022 aan appellant betaalbaar zijn gesteld heeft het Uwv niet teruggevorderd.
1.2.
Bij besluit van 4 juli 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft het onderzoek door het Uwv zorgvuldig geacht en ook inhoudelijk de beoordeling onderschreven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv rekening heeft gehouden met de klachten van PTSS, met diverse traumata, een alcoholverslaving, een pen in het been door een motorongeval en lage rugklachten. Het Uwv heeft kennisgenomen van de informatie van de behandelend psycholoog en terecht geoordeeld dat een situatie van Geen Benutbare Mogelijkheden niet aan de orde is. De omstandigheid dat appellant geen vaste woon- en verblijfplaats heeft is volgens de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De rechtbank acht begrijpelijk dat die situatie een negatieve invloed heeft op het welbevinden van appellant, maar dit wordt niet meegenomen in de beoordeling of iemand arbeidsongeschikt is, omdat dit geen objectief medisch vast te stellen ziekte of gebrek is waarmee bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening gehouden moet worden.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft zijn standpunt herhaald dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn beperkingen. Appellant heeft te kampen met PTSS door een ernstige mishandeling op het werk. Daardoor heeft appellant last van angst, depressie, nachtmerries en flashbacks. Behandeling van zijn klachten heeft nog weinig opgeleverd.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 35 tot 45% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 18 van Pro de WAO bestaat recht op een WAO-uitkering als een betrokkene ten minste 15% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Daar wordt het volgende aan toegevoegd.
5.3.
Appellant heeft voor het eerst op de zitting bij de Raad aangevoerd dat de geduide functies ten onrechte als passende functies zijn aangemerkt, gezien het opleidingsniveau en de krachten en bekwaamheden van appellant. De Raad overweegt dat appellant dit (veel) eerder had kunnen aanvoeren, zodat wordt geoordeeld dat deze beroepsgrond tardief is aangevoerd. De beginselen van een goede procesorde verzetten zich tegen de beoordeling daarvan, zodat deze grond onbesproken blijft.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de herziening van de WAO-uitkering per 1 maart 2022 naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.D. Streefkerk, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2026.

(getekend) J.D. Streefkerk

(getekend) S.P.A. Elzer