Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:426

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
25/26 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 Wet langdurige zorgArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening besluit Wlz-zorg na eerdere afwijzing

Appellant had een aanvraag voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) ingediend die op 3 november 2021 door het CIZ werd afgewezen wegens het ontbreken van medische noodzaak voor 24 uur zorg in de nabijheid en de blijvendheid van de zorgbehoefte. Na een nieuwe aanvraag en bezwaar werd op 4 juli 2023 alsnog een indicatie voor Wlz-zorg verleend met ingang van 13 mei 2022.

Appellant verzocht in juli 2023 het CIZ om terug te komen op het oorspronkelijke afwijzingsbesluit van 3 november 2021, verwijzend naar de latere indicatie. Dit verzoek werd door het CIZ en later ook door de rechtbank afgewezen omdat geen sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die herziening rechtvaardigen.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat de medische informatie waarop appellant zich baseert geen aanleiding geeft om het eerdere besluit te herzien. De Raad concludeert dat de situatie van appellant pas recentelijk als uitbehandeld en blijvend afhankelijk van zorg is beoordeeld, en dat het oorspronkelijke besluit niet onmiskenbaar onjuist is.

De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wijst het hoger beroep af. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het besluit van 3 november 2021 wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/26 WLZ
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 november 2024, 24/2265 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het CIZ
Datum uitspraak: 15 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of een verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, waarin beslist is dat appellant geen recht heeft op Wlz-zorg, terecht is afgewezen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. De Raad oordeelt dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om het eerder genomen besluit te herzien. Ook oordeelt de Raad dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 4 maart 2026. Voor appellant is mr. Schriemer verschenen. Het CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Met een besluit van 3 november 2021 heeft het CIZ de aanvraag van appellant om in aanmerking te komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) afgewezen. Volgens het CIZ kunnen de medische noodzaak tot 24 uur zorg in de nabijheid en de blijvendheid van de zorgbehoefte niet geobjectiveerd worden, waardoor niet voldaan wordt aan de toegangsvoorwaarden voor Wlz-zorg. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen deze afwijzing.
1.2.
Met een besluit van 13 mei 2022 heeft het CIZ een nieuwe aanvraag van appellant om zorg op grond van de Wlz afgewezen, omdat (wederom) de medische noodzaak tot 24 uur zorg in de nabijheid en de blijvendheid van de zorgbehoefte niet geobjectiveerd kunnen worden. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met een beslissing op bezwaar van 4 juli 2023 heeft het CIZ het bezwaar gegrond verklaard en aan appellant met ingang van 13 mei 2022 een indicatie voor onbepaalde tijd verleend voor het zorgprofiel Wonen met begeleiding en intensieve verzorging (LG05). Aan deze beslissing ligt een advies van een medisch adviseur van het CIZ ten grondslag.
1.3.
Appellant heeft in juli 2023 het CIZ verzocht om terug te komen van het besluit van 3 november 2021. Hierbij is verwezen naar de beslissing op bezwaar van 4 juli 2023.
1.4.
Bij besluit van 28 november 2023 heeft het CIZ het verzoek om herziening afgewezen. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.5.
Bij besluit van 25 april 2024 (bestreden besluit) heeft het CIZ de afwijzing van het herzieningsverzoek gehandhaafd, omdat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die tot herziening van het besluit van 3 november 2021 zouden kunnen leiden. Aan dit besluit ligt een advies van een medisch adviseur van het CIZ van 1 augustus 2023 ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het CIZ het herzieningsverzoek van appellant op goede gronden heeft afgewezen. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de afwijzing van het herzieningsverzoek niet evident onredelijk is.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die een herziening van het afwijzende besluit van 3 november 2021 rechtvaardigen. Appellant heeft ter onderbouwing hiervan verwezen naar de beslissing op bezwaar van 4 juli 2023, waarbij aan hem per 13 mei 2022 alsnog een indicatie voor Wlz-zorg is verleend. Bij die beslissing is op grond van de medische informatie aangenomen dat appellant is uitbehandeld en dat er geen reële verbetering mogelijk is. Volgens appellant is zijn situatie sinds de vorige aanvraag onveranderd gebleven en voldeed hij toen al aan alle toegangsvoorwaarden van de Wlz. Dat hij uitbehandeld is en er geen kans is op verbetering, is steeds betoogd bij de vorige aanvraag en de medische informatie in het dossier objectiveert en bevestigt dit volgens appellant. Appellant heeft verder aangevoerd dat het evident onredelijk is dat het CIZ onder deze omstandigheden niet op het afwijzend besluit van 3 november 2021 terugkomt.
4.2.
Met het CIZ is de Raad van oordeel dat de medische informatie, waarnaar appellant verwijst, geen aanleiding geeft om terug te komen van het afwijzende besluit van 3 november 2021. Het ontbreken van een blijvende noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid was mede de reden om de eerdere aanvraag bij besluit van 3 november 2021 af te wijzen. Een nieuwe aanvraag was aanvankelijk om dezelfde reden afgewezen, maar met de beslissing op bezwaar van 4 juli 2023 heeft het CIZ alsnog een indicatie verleend voor Wlzzorg. Het CIZ heeft, op basis van het medisch dossier dat aan die beslissing ten grondslag lag, geconcludeerd dat de uitbehandelde medische situatie en die blijvende afhankelijkheid van zorg pas in de laatste periode is ontstaan en dat pas sinds de laatste medische informatie uit 2023 het voordeel van de twijfel is gegeven wat betreft de noodzaak voor 24 uur per dag zorg. De Raad ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de conclusie van het CIZ en de medische onderbouwing hiervan te twijfelen. Uit het medisch dossier volgt dat aanvankelijk op basis van de medische informatie een behandeling van appellant in de thuissituatie, door middel van het inzetten van een zogeheten FACT-team nog mogelijk was. Pas naar aanleiding van de laatste medische informatie – een e-mail van 14 maart 2023 van een GGZ-psycholoog die verklaard heeft dat FACT-zorg niet passend is – is geconcludeerd dat appellant uitbehandeld is en blijvend afhankelijk van zorg en ondersteuning. Uit de medische informatie is niet af te leiden dat het afwijzingsbesluit van 3 november 2021 niet juist zou zijn omdat appellant toen al voldeed aan alle toegangsvoorwaarden van de Wlz. Van nieuwe feiten en veranderde omstandigheden op grond waarvan het CIZ terug had moeten komen van het eerdere besluit van 3 november 2021 is dan ook geen sprake.
4.3.
De Raad oordeelt net als de rechtbank dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 3 november 2021 niet evident onredelijk is. Bij de beoordeling van de vraag of de afwijzing van het verzoek evident onredelijk is, kan de omstandigheid dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is, worden betrokken. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit van 3 november 2021 onmiskenbaar onjuist is. Een oppervlakkige inhoudelijke beoordeling of een summier onderzoek moet voldoende zijn om te kunnen concluderen dat het oorspronkelijke besluit onmiskenbaar onjuist is. [1] Daarvan is in dit geval geen sprake, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.

Conclusie en gevolgen

4.4.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten. Ook krijgt appellant het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.

(getekend) C.W.C.A. Bruggeman

(getekend) F.M. Gerritsen

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1961.