Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:400

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
24/2078 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens schending medewerkingsverplichting bij huisbezoek

Appellant diende een bijstandsaanvraag in waarbij hij verklaarde alleenstaand te zijn en met één kind bij zijn ouders te wonen. Uit huisbezoeken bleek echter dat zijn partner en kinderen ook in de woning verbleven, wat niet overeenkwam met zijn opgave. Na afwijzing van de eerste aanvraag diende appellant een nieuwe aanvraag in zonder wijziging in woonsituatie aan te geven.

Het college wilde de woonsituatie verifiëren via een huisbezoek, waarvoor appellant aanvankelijk toestemming gaf maar later weigerde mee te werken toen bleek dat zijn partner en kinderen aanwezig waren. Het college wees de aanvraag af wegens schending van de medewerkingsverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat er geen redelijke grond was voor het huisbezoek en dat zijn medische situatie de weigering rechtvaardigde. De Raad oordeelde dat het college terecht twijfelde aan de juistheid van de opgave en dat het huisbezoek noodzakelijk was. De medische situatie werd onvoldoende onderbouwd. Het hoger beroep werd afgewezen en de afwijzing van de aanvraag bleef in stand.

Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens schending van de medewerkingsverplichting wordt bevestigd.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2078 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
25 juli 2024, 23/3086 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (college)
Datum uitspraak: 31 maart 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een afwijzing van een aanvraag om bijstand. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat appellant zijn medewerkingsverplichting heeft geschonden door niet mee te werken aan een huisbezoek, als gevolg waarvan het college het recht op bijstand niet kan vaststellen. De gronden in hoger beroep komen er in de kern op neer dat een redelijke grond voor het huisbezoek ontbrak. Die grond slaagt niet.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen in een brief van 14 januari 2026 (regiebrief) laten weten hoe hij het geschil voorshands ziet, dat hij op grond van het dossier een zitting niet nodig vindt en hen gewezen op hun recht om te worden gehoord. Partijen hebben niet binnen de hen gegeven termijn verklaard gebruik te willen maken van dat recht. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft tot 22 maart 2022 in Groot Brittannië gewoond met zijn partner (X) met wie hij twee kinderen (kinderen) heeft. Appellant heeft op 29 maart 2022 een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (PW) ingediend. Bij de aanvraag heeft appellant vermeld dat hij alleenstaand is en dat hij met één kind bij zijn ouders woont op adres Y in [woonplaats] (opgegeven adres).
1.2.
In het kader van een bijstandsaanvraag van de ouders van appellant hebben medewerkers van de afdeling Handhaving en Fraude van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag (medewerkers) op 22 april 2022 een huisbezoek afgelegd aan de woning op het opgegeven adres. Tijdens het huisbezoek waren X en de kinderen aanwezig in de woning. Zij verbleven in de slaapkamer van appellant. X kon niet duidelijk maken wanneer zij was aangekomen in Nederland en sinds wanneer zij op het opgegeven adres verbleef.
1.3.
Op 29 juni 2022 hebben medewerkers in verband met de aanvraag van appellant geprobeerd een huisbezoek af te leggen aan de woning op het opgegeven adres. Daarbij hebben zij geconstateerd dat om de hoek van de woning een auto met een Brits kenteken stond. Op 5 juli 2022 hebben medewerkers alsnog een huisbezoek afgelegd aan de woning op het opgegeven adres. Ook tijdens dat huisbezoek is geconstateerd dat X en beide kinderen in de woning aanwezig waren. Appellant en X hebben tijdens dat huisbezoek verklaard dat zij weer terug bij elkaar waren. X heeft ook verklaard dat zij als bestuurder van de auto met Brits kenteken geregistreerd staat. Die auto is zowel op 29 juni 2022 als op 1 juli 2022 en 5 juli 2022 aangetroffen bij de woning op het opgegeven adres.
1.4.
Met een besluit van 5 juli 2022 heeft het college de aanvraag van 29 maart 2022 afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat de woon- en leefsituatie op het opgegeven adres niet overeenkomt met de opgave van appellant. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Appellant heeft tegen deze afwijzing geen bezwaar gemaakt.
1.5.
Appellant heeft op 24 juli 2022 een nieuwe aanvraag om bijstand op grond van de PW ingediend. Appellant heeft daarbij opnieuw opgegeven dat hij samen met één van zijn kinderen bij zijn ouders op het opgegeven adres woonachtig is. Met een brief van 15 augustus 2022 heeft het college appellant om nadere informatie gevraagd, onder meer over de gewijzigde woonsituatie ten opzichte van de eerdere afwijzing van 5 juli 2022. Appellant heeft daarop gereageerd met een e-mailbericht van 15 augustus 2022. Die reactie komt er wat de woonsituatie betreft in de kern op neer dat hij het niet eens is met de afwijzing van 5 juli 2022 en dat hij meent dat hij recht heeft op bijstand. Medewerkers hebben vervolgens op 21 september 2022 een huisbezoek afgelegd aan de woning op het opgegeven adres. Appellant heeft aanvankelijk toestemming gegeven voor dat huisbezoek, maar nadat bleek dat – anders dan appellant had verklaard – niet alleen zijn ouders, maar ook X en de kinderen in de woning aanwezig waren, hebben de medewerkers aan X gevraagd om zich te legitimeren. Appellant heeft daarna verdere medewerking aan het huisbezoek geweigerd. De medewerkers hebben appellant uitgelegd dat de woon- en leefsituatie niet kan worden vastgesteld zonder huisbezoek, waarna appellant heeft volhard in de weigering verdere medewerking te verlenen aan het huisbezoek. De onderzoeksresultaten zijn vastgelegd in een rapport van 27 september 2022.
1.6.
Met een besluit van 30 september 2022, zoals na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 13 maart 2023 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van 24 juli 2022 afgewezen. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant de medewerkingsverplichting heeft geschonden door niet mee te werken aan een huisbezoek op 21 september 2022. Als gevolg daarvan kan volgens het college de woonsituatie van appellant en daarmee het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Gelet op het hoger beroepschrift en de aan appellant toegezonden regiebrief, komen de in hoger beroep aangevoerde gronden die bespreking behoeven er in de kern op neer dat er ten tijde van het huisbezoek van 21 september 2022 geen reden was om te twijfelen aan juistheid van de door appellant opgegeven woon- en leefsituatie en dat het recht op bijstand op een voor appellant minder belastende wijze kon worden vastgesteld. Tot slot voert appellant aan dat de weigering van het huisbezoek hem, gelet op zijn medische situatie, niet kan worden tegengeworpen. Deze gronden slagen niet. Daartoe is het volgende van belang.
4.1.1.
Van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan het huisbezoek duidelijk is dat en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Dat is hier om de volgende reden het geval.
4.1.2.
Bij zijn aanvraag van 29 maart 2022 heeft appellant opgegeven dat hij samen met zijn dochter bij zijn ouders woont. De onderzoeksbevindingen, waaronder de verklaring van appellant en X dat zij weer bij elkaar waren, hebben ertoe geleid dat het college met het besluit van 5 juli 2022 de aanvraag van 29 maart 2022 heeft afgewezen omdat de feitelijke woonsituatie niet overeenkwam met de door appellant gedane opgave. Ook bij de aanvraag van 24 juli 2022 heeft appellant opgegeven met zijn dochter bij zijn ouders te wonen. Het college heeft vervolgens gevraagd naar de gewijzigde situatie ten opzichte van de eerdere bevindingen die hebben geleid tot het besluit van 5 juli 2022. Appellant heeft vervolgens niet gesteld dat sprake is van een gewijzigde situatie, maar in plaats daarvan benadrukt dat de eerdere aanvraag ten onrechte is afgewezen.
4.1.3.
De gang van zaken zoals beschreven in 4.1.2 maakt dat het college kon twijfelen aan de door appellant bij zijn aanvraag van 24 juli 2022 opgeven woonsituatie. De feitelijke woonsituatie van appellant zoals die was vastgesteld ten tijde van de afwijzing komt immers niet overeen met de bij de aanvraag van 24 juli 2022 verstrekte gegevens. Bovendien benoemt appellant in de reactie in zijn e-mailbericht van 15 augustus 2022 geen wijzigingen ten opzichte van de feitelijke woonsituatie zoals die op ten tijde van de afwijzing.
4.1.4.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de feitelijke woonsituatie niet op een andere, minder belastende, wijze kon worden vastgesteld en ook dat niet aannemelijk is geworden dat appellant het huisbezoek niet kon voortzetten door de invloed van zijn medicatie. Zo heeft appellant zijn medicijngebruik niet met gegevens onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag om bijstand in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls