ECLI:NL:CRVB:2026:391
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
WIA-uitkering ten onrechte verlaagd wegens onderschatting medische beperkingen
Appellant, voormalig generalist bij de Nationale Politie, meldde zich ziek in juli 2017 en ontving een WIA-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van circa 61%. Het UWV verlaagde later de uitkering op grond van een lagere mate van arbeidsongeschiktheid, vastgesteld op circa 50%. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij meer beperkingen had dan het UWV aannam.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV deels en beval een nieuw medisch onderzoek. In hoger beroep stelde appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat er onvoldoende rekening was gehouden met zijn psychische klachten, waaronder PTSS en concentratieproblemen. De Raad benoemde twee onafhankelijke deskundigen, een psychiater en een verzekeringsarts, die concludeerden dat appellant meer beperkingen had dan in de eerdere FML waren opgenomen.
De Raad volgde deze deskundigen en stelde de mate van arbeidsongeschiktheid per 18 september 2021 vast op 77,3%, aanzienlijk hoger dan het UWV had aangenomen. De inkomenseis werd vastgesteld op 50% van een resterende verdiencapaciteit van € 1.243,88 per maand. Het besluit van het UWV werd vernietigd voor zover het de mate van arbeidsongeschiktheid en verdiencapaciteit betrof. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep stelt de arbeidsongeschiktheid vast op 77,3% en vernietigt het besluit van het UWV dat de WIA-uitkering verlaagde.