Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:380

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
23/3457 TOZO-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 78f Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering TOZO-bijstand wegens schending inlichtingenverplichting

In deze zaak gaat het om de herziening en terugvordering van TOZO-bijstand over de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 januari 2021. Appellant had bij de aanvragen voor Tozo-2 en Tozo-3 onjuiste inkomsten opgegeven, namelijk € 0,00 per maand, terwijl hij inkomsten uit arbeid had ontvangen die niet waren gemeld.

Het bestuur handhaafde het terugvorderingsbesluit na bezwaar, omdat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden door deze inkomsten niet te melden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant diende op de dag voor de zitting nog nadere gronden in, maar deze werden buiten beschouwing gelaten wegens strijd met de goede procesorde.

De Raad oordeelde dat de inlichtingenverplichting op grond van artikel 17 van Pro de Participatiewet onverkort van toepassing is en dat het verkorte aanvraagformulier niet betekent dat inkomsten niet opnieuw hoeven te worden opgegeven. Appellant had onjuiste informatie verstrekt, waardoor de terugvordering terecht is. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de terugvordering blijft in stand.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van TOZO-bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting.

Uitspraak

23/3457 TOZO-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 22 november 2023, 23/412 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid Noardwest Fryslân (bestuur)
Datum uitspraak: 17 maart 2026
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: B.F.C. Wiedenhof
Partijen zijn niet verschenen.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om een herziening en terugvordering van bijstand van appellant op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) over de periode van 1 juni 2020 tot en met 31 januari 2021 (te beoordelen periode). Het terugvorderingsbedrag bedraagt € 3.261,47. Het bestuur heeft deze besluiten na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 16 december 2022 (bestreden besluit). Het bestuur heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant in de te beoordelen periode inkomsten uit arbeid heeft ontvangen die hij niet aan het bestuur heeft gemeld. Het gaat om inkomsten van [naam Dienst] (Dienst) en van [naam] B.V. Appellant heeft zijn inlichtingenverplichting geschonden door die inkomsten niet te melden, waardoor hij in de te beoordelen periode te veel bijstand heeft ontvangen.
Met de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellant heeft op 16 maart 2026, de dag voor de zitting bij de Raad, een stuk toegezonden met nadere gronden. De Raad laat dit stuk buiten beschouwing omdat het in strijd met de goede procesorde te laat is ingediend. De Raad neemt hierbij in overweging dat appellant de gronden al eerder naar voren had kunnen brengen. Bovendien heeft het bestuur zich op 16 maart 2026 afgemeld voor de zitting, met als reden dat appellant het bestuur op 12 maart 2026 al had meegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. Het bestuur heeft daardoor niet kunnen reageren op de nadere gronden.
Daarvan uitgaande is tussen partijen niet in geschil dat appellant in de te beoordelen periode inkomsten uit arbeid heeft ontvangen die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. In geschil is of appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door zijn inkomsten van de Dienst niet aan het bestuur te melden. Volgens appellant volgt uit paragraaf 2 van de Uitvoeringsregels Tozo dat hij deze inkomsten niet hoefde op te geven, omdat hij deze inkomsten al eerder bij zijn aanvraag om bijstand op grond van Tozo-1 had opgegeven en zijn situatie nadien niet is gewijzigd. Het bestuur was bekend of had bekend kunnen zijn met deze inkomsten. Deze beroepsgrond slaagt om de navolgende redenen niet.
De Tozo vindt zijn grondslag in artikel 78f van de Participatiewet (PW). De inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, van de PW is onverkort van toepassing. Op grond van dit artikel doet de belanghebbende aan het college, hier het bestuur, op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand.
Paragraaf 2 van de Uitvoeringsregels Tozo gaat over het gebruiken van een verkort aanvraagformulier bij aanvragen op grond van Tozo-2. De reden waarom met zo’n verkort formulier kan worden volstaan is dat wat al bekend is bij de gemeente niet opnieuw hoeft te worden uitgevraagd. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om identiteitsgegevens, een inschrijving bij de Kamer van Koophandel of een bankrekeningnummer. De bekendheid met een dienstverband bij de Dienst maakt niet dat het bestuur niet naar inkomsten zou mogen vragen. Het bestuur heeft in het verkorte aanvraagformulier voor bijstand op grond van Tozo-2 en Tozo-3 om een inkomstenopgave per maand gevraagd. Appellant heeft die vragen niet juist beantwoord. Bij beide aanvragen staat immers dat de inkomsten per maand € 0,00 zijn. Door desgevraagd onjuiste inlichtingen te verstrekken, heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden.
Het hoger beroep slaagt dus niet. Dit betekent dat de herziening en de terugvordering in stand blijven.
Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant ook geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) B.F.C. Wiedenhof (getekend) P.W. van Straalen