Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:378

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
24/1442 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens gewijzigde beslissing UWV

Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV, maar trok dit beroep in nadat het UWV met een gewijzigde beslissing op bezwaar volledig aan haar bezwaren tegemoet was gekomen. De rechtbank Noord-Holland had het UWV reeds veroordeeld in de proceskosten van appellante in eerste aanleg.

De Centrale Raad van Beroep beoordeelde vervolgens alleen de proceskosten die appellante redelijkerwijs in verband met het hoger beroep had moeten maken. Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht werd een vergoeding van € 1.868,- toegekend voor rechtsbijstand en € 42,20 voor reiskosten. Daarnaast werd het door appellante betaalde griffierecht van € 138,- vergoed.

De Raad wees het verzoek om proceskostenveroordeling toe en veroordeelde het UWV tot betaling van in totaal € 1.910,20 aan proceskosten en het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter S. Wijna in aanwezigheid van griffier M.G.J. van Eck op 1 april 2026.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante na intrekking van het hoger beroep.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/1442 WW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 mei 2024, 23/4404 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 april 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.F.M. Deijkers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2025. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het Uwv te laten beoordelen of appellante in aanmerking komt voor kwijtschelding aan de hand van recent door het Uwv vastgesteld beleid, dat een versoepeling inhoudt van het voorheen geldende beleid.
Het Uwv heeft op 17 juli 2025 een nieuwe beslissing (op bezwaar) genomen.
Bij brief van 24 juli 2025 heeft mr. Deijkers namens appellante het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft bij brief van 14 augustus 2025 meegedeeld af te zien van een verweer over het verzoek om een proceskostenveroordeling van appellante.
De zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 17 juli 2025 volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante in beroep. Dit betekent dat de Raad alleen hoeft te oordelen over de kosten die appellante in verband met de behandeling van het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.868,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,-) voor verleende rechtsbijstand. Ook de reiskosten die appellante heeft gemaakt voor het verschijnen ter zitting bij de Raad komen tot een bedrag van € 42,20 voor vergoeding in aanmerking. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 1.910,20.
Ook dient het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.910,20;
  • bepaalt dat het Uwv het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.
(getekend) S. Wijna
(getekend) M.G.J. van Eck