Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:371

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
24/318 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 7:12 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:64 AwbArt. 8:113 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep vernietigt weigering Wajong-uitkering wegens duurzaam ontbreken arbeidsvermogen

Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen vanwege complexe psychiatrische aandoeningen. Het UWV weigerde de uitkering omdat volgens hen de situatie niet duurzaam was en appellante in de toekomst arbeidsvermogen zou kunnen ontwikkelen.

De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat behandeling tot verbetering zou leiden, maar na aanvullende motivering handhaafde de rechtbank het besluit. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep benoemde een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat appellante een langdurig complex psychiatrisch beeld heeft met weinig herstel ondanks intensieve behandelingen, waardoor duurzaam arbeidsvermogen ontbreekt. De Raad volgde dit oordeel en vernietigde het besluit van het UWV.

De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing waarbij appellante als jonggehandicapte moet worden aangemerkt. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de Wajong-uitkering wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing waarbij appellante als jonggehandicapte wordt aangemerkt.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/318 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 10 januari 2024, 23/579 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen. Volgens appellante beschikte zij op [geboortedatum] 2019 (de dag dat zij achttien jaar is geworden) duurzaam niet over arbeidsvermogen en had zij om die reden als jonggehandicapte moeten worden aangemerkt. De Raad volgt dit standpunt van appellante en komt tot het oordeel dat het Uwv haar ten onrechte niet als jonggehandicapte heeft aangemerkt.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 november 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Rhodes en mr. T.S. Brinkman, kantoorgenoot van mr. Rhodes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.
Na de zitting is het onderzoek heropend. De Raad heeft drs. M. Vervoort, verzekeringsarts, benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Op 3 november 2025 heeft deze deskundige een rapport uitgebracht.
De deskundige heeft bij rapport van 10 januari 2026 gereageerd op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 november 2025 en de zienswijze van appellante van 12 december 2025.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad.
Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 2001, heeft met een door het Uwv op 14 juni 2022 ontvangen formulier een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) ingediend. Daarbij is vermeld dat appellante lijdt aan epilepsie, een sociale angststoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis, paranoïde persoonlijkheidsstoornis en ADD. Bij de aanvraag is informatie gevoegd van onder meer een klinisch psycholoog en jeugdpsycholoog. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat appellante weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft, maar dat deze situatie niet duurzaam is. Met een besluit van 15 augustus 2022 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
1.2.
Bij besluit van 17 januari 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Tussenuitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft op 29 augustus 2023 een tussenuitspraak gedaan. In die uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit lijdt aan een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek, omdat het Uwv onvoldoende heeft gemotiveerd dat een te volgen behandeling voor de stoornissen van appellante ertoe zal leiden dat haar gezondheidstoestand zodanig zal verbeteren dat zij op (afzienbare) termijn ten minste vier uur per dag belastbaar is. De rechtbank heeft het Uwv daarom de opdracht gegeven om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, met inachtneming van de tussenuitspraak.
Reactie Uwv naar aanleiding van de tussenuitspraak
2.1.
Het Uwv heeft het bestreden besluit op 5 oktober 2023 aanvullend gemotiveerd. Hieraan is een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 oktober 2023 ten grondslag gelegd, waaruit blijkt dat overleg is gevoerd met de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat appellante in de toekomst wel vier uur per dag belastbaar is in arbeid. Appellante heeft aangegeven zich hier niet in te kunnen vinden.
Uitspraak van de rechtbank
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen daarvan in stand gelaten, omdat het Uwv het gebrek in het bestreden besluit heeft hersteld. Ook heeft de rechtbank het Uwv opgedragen de proceskosten van appellante en het door haar betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank heeft overwogen dat met de nadere motivering van het Uwv is voldaan aan de eisen die daaraan volgens rechtspraak van de Raad moeten worden gesteld. Er is een concrete en deugdelijke afweging gemaakt aan de hand van feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de datum in geding. Er wordt gewezen op verschillende behandelmogelijkheden. Gezien wat met deze mogelijke behandelingen wordt beoogd, is ook duidelijk wat het mogelijke resultaat daarvan is. De inschatting dat de belastbaarheid zal toenemen steunt mede op wat de behandelaar van appellante tijdens de deeltijdbehandeling in de periode van maart 2020 tot 1 juni 2021 heeft geschreven over de ontwikkeling die appellante heeft doorgemaakt. Wat appellante heeft aangevoerd is geen reden voor een ander oordeel. Zij heeft haar stelling dat de verslechtering van haar medische situatie meebrengt dat geen enkele toename van de belastbaarheid mag worden verwacht, niet onderbouwd. Zij heeft ook niet betwist dat uit de medische literatuur bekend is dat een borderline persoonlijkheidsstoornis goed is te behandelen, waardoor de symptomen en de nadelige gevolgen in de loop der jaren minder zullen worden. De rechtbank heeft voorts de stelling van appellante, dat niet is voldaan aan stap 3 van het stappenplan, niet onderschreven. Dit betekent dat het Uwv terecht heeft geweigerd appellante een Wajong-uitkering toe te kennen.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat appellante nog arbeidsvermogen kan ontwikkelen. Het standpunt van de verzekeringsarts lijkt voorbij te zijn gegaan aan de gebleken instabiliteit van appellante, die zich onder andere uitte in de zelfmoordpoging in maart 2022 als gevolg van een ernstige terugval na het beëindigen van de deeltijdbehandeling. Daarnaast is de inschatting van de verzekeringsarts gebaseerd op de observatie dat zij tijdens het onderzoek een ‘niet kwetsbare indruk’ maakte. Deze waarneming zegt echter niets over haar algehele stabiliteit en is niet in lijn met de rapporten van haar behandelaars. Dat uit de literatuur volgt dat borderline te behandelen is, betekent nog niet dat het in dit concrete geval ook mogelijk is. Daarnaast is het doel van de behandeling van appellante niet om arbeidsvermogen te ontwikkelen, maar om het leven enigszins dragelijk te maken. Bovendien heeft de verzekeringsarts het alleen over de borderline persoonlijkheidsstoornis, terwijl appellante ook met andere ernstige problemen kampt. Aan deze diagnoses wordt volledig voorbijgegaan en daarnaast wordt geen rekening gehouden met de complexe en meervoudige problematiek van appellante.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de Wajong-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
De Raad heeft aanleiding gezien een deskundige te benoemen, die op 3 november 2025 een rapport heeft opgesteld. De deskundige heeft overwogen dat bij appellante sprake is van een langdurig complex psychiatrisch beeld, waarbij meerdere intensieve behandelingen in het verleden geen of weinig herstel hebben opgeleverd. De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep genoemde behandelingen zijn deels reeds ondergaan of wetenschappelijk onvoldoende passend als vervolginterventie. De veronderstelde behandelmogelijkheden zijn daarmee theoretisch en niet reëel toepasbaar in de huidige situatie van appellante. Gezien het herhaald falen van behandeling, de terugval in 2022 en het ontbreken van nieuwe – bewezen effectieve – opties, is structurele verbetering niet te verwachten. De deskundige heeft daarom geconcludeerd dat de psychiatrische problematiek van appellante leidt tot het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen.
5.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft te kennen gegeven dat het rapport van de deskundige geen grond biedt voor het wijzigen van het standpunt. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijft onduidelijk of appellante adequaat is behandeld en is evenmin onduidelijk of uitgesloten is dat er behandelmogelijkheden zijn waardoor de belastbaarheid kan verbeteren en er mogelijkheden ontstaan voor arbeidsparticipatie. Hierbij speelt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een rol dat de overwegingen van de deskundige niet zijn onderbouwd met medische gegevens van de behandelaren.
5.3.
Naar aanleiding van de door appellante en het Uwv gegeven reacties op het rapport heeft de deskundige in een aanvullend rapport van 10 januari 2026 geconcludeerd dat zij in deze reacties geen aanleiding ziet om haar conclusies te wijzigen. In reactie op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zij herhaald dat bij appellante sprake is van een langdurig en complex psychiatrisch beeld, waarbij ondanks meerdere intensieve en evidence-based behandeltrajecten, geen sprake is geweest van een duurzame toename van belastbaarheid of ontwikkeling van arbeidsvermogen. Er zijn geen reëel toepasbare nieuwe behandelopties. Dat geen aanvullende informatie is ontvangen van behandelaren, ondanks herhaalde verzoeken hiertoe, vormt volgens de deskundige geen belemmering voor haar beoordeling, nu het reeds beschikbare dossier voldoende inzicht biedt in het langdurige beloop, de aard en intensiteit van de gevolgde behandelingen en het uitblijven van duurzaam herstel.
5.4.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De deskundige heeft het dossier bestudeerd, de in het dossier aanwezige medische informatie bestudeerd en er vond aanvullend spreekuurcontact plaats met appellante. Appellante heeft kennis kunnen nemen van de inhoud van de anamnese en hierop feitelijke correcties en eventuele aanvullingen kunnen geven. De deskundige is in haar aanvullende rapport ingegaan op de reacties van appellante en de verzekeringsarts bezwaar en beroep en heeft haar conclusies gemotiveerd gehandhaafd.
5.5.
Wat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in reactie op het deskundigenrapport naar voren heeft gebracht, is onvoldoende om aan de juistheid van de conclusies van de deskundige te twijfelen. De Raad gaat daarom uit van de conclusie van de deskundige dat appellante op haar achttiende jaar ( [geboortedatum] 2019) duurzaam niet over arbeidsvermogen beschikte. Dit betekent dat appellante per deze datum als jonggehandicapte in de zin van artikel 1a:1 van de Wajong moet worden aangemerkt.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt dus en de aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden vernietigd. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het Uwv zal opnieuw op het bezwaar dienen te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak. Uit 5.5 volgt dat het Uwv er daarbij van uit moet gaan dat appellante op [geboortedatum] 2019 als jonggehandicapte in de zin van artikel 1a:1 van de Wajong moet worden aangemerkt.
5.7.
Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het Uwv te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.
6. De aangevallen uitspraak blijft in stand voor wat betreft de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht. Er is aanleiding het Uwv aanvullend te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze worden begroot op € 2.335,- (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en een 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze, met een waarde per punt van € 934,-). Tevens dient het Uwv het in hoger beroep door appellante betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 januari 2023;
  • draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat beroep tegen de nieuw te nemen beslissing op bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.335,-;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 138,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) D. Semiz