Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:366

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
25/846 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 7:15 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant, voormalig financieel directeur, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding met hartklachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en weigerde de uitkering. Appellant voerde aan dat zijn beperkingen groter zijn dan vastgesteld en dat de geselecteerde functies niet passend zijn.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de verzekeringsarts de cardioloog had geraadpleegd. De arbeidsdeskundige had gemotiveerd dat de functies passend zijn, met beperkte conflicthantering en zonder productiepieken. Appellant bracht nieuwe medische informatie in, maar slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de eerdere beoordeling onjuist was.

De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank, wijst het hoger beroep af en bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering. Ook de vordering tot vergoeding van proceskosten in bezwaar wordt afgewezen omdat het primaire besluit niet is herroepen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/846 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 maart 2025, 24/3111 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[werkgever] B.V. (werkgever)
Datum uitspraak: 2 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellant per 15 maart 2023 terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant vindt dat hij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies daarom niet kan vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.C.D. Klaassen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M. Berkel, kantoorgenoot van mr. Klaassen. Voor de werkgever is verschenen, [naam] Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H. ten Brinke. Mr. Berkel heeft namens appellant ter zitting toestemming gegeven voor het delen van de medische informatie met zijn werkgever.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als financieel directeur voor 39,77 uur per week. Op 17 maart 2021 heeft hij zich ziekgemeld met hartklachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 maart 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 11 april 2023 geweigerd appellant met ingang van 15 maart 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 20 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, een gewijzigde FML van 24 mei 2024 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komt naar voren dat appellant met inachtneming van de beperkingen zoals verwoord in de FML van 24 mei 2024 nog vier van de oorspronkelijk geduide functies kan vervullen en dat de mate van arbeidsongeschiktheid 33,53% bedraagt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, zoals die is vermeld in de FML van 24 mei 2024 en heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de bij de cardioloog ingewonnen medische informatie heeft betrokken in zijn beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat terecht een FML is opgesteld, omdat er geen sprake is van geen benutbare mogelijkheden. Uit de brief van 24 mei 2024 van cardioloog A.P. van der Weerdt blijkt dat appellant in 2021 een levensbedreigende aandoening heeft doorgemaakt, waarvoor hij met spoed is geopereerd. Cardiaal is hij nu vrijwel normaal belastbaar en dat gold ook op de datum in geding. Het dagverhaal van appellant past daar ook bij. Appellant heeft aangegeven dat hij last blijft houden van vermoeidheid en concentratieproblemen. Voor deze klachten heeft de cardioloog geen verklaring kunnen geven. De cardioloog verwacht geen verbetering meer ten aanzien van de conditionele/functionele beperking die appellant ervaart. Hoewel de restklachten die appellant ervaart niet goed verklaard kunnen worden vanuit medisch objectiveerbare aandoeningen, acht de verzekeringsarts bezwaar en beroep het, gelet op de consistentie van het verhaal en de ernst van de acute aandoening en de grote ingreep die daarvoor (met spoed) nodig was, aannemelijk dat appellant restklachten heeft. Omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep informatie heeft ingewonnen bij de cardioloog en deze heeft betrokken in zijn beoordeling, is de rechtbank van oordeel dat het aan appellant is om gegevens in geding te brengen, waaruit blijkt dat de informatie van de cardioloog niet op de juiste wijze in de beoordeling is betrokken. Appellant heeft geen brief van de cardioloog in geding gebracht. Ook heeft hij geen brief in geding gebracht, waarin de cardioloog verklaart dat hij alleen mondeling een toelichting wil geven. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft getrokken naar aanleiding van de door hem ontvangen informatie van de cardioloog. In het rapport van 13 juni 2024 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en het resultaat functiebeoordeling is naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom de geduide functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellant op de in geding zijnde datum. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarbij voldoende toegelicht dat conflicthantering zich in de functies alleen telefonisch en schriftelijk voordoet en niet rechtstreeks. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende toegelicht dat van productiepieken in de geduide functies geen sprake is. Dit blijkt ook uit het resultaat functiebeoordeling. De rechtbank volgt appellant niet in zijn standpunt dat het Uwv hem bij het bestreden besluit een vergoeding van de proceskosten in bezwaar had moeten toekennen. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is in bezwaar weliswaar gewijzigd, maar dit heeft niet geleid tot herroeping van het primaire besluit. De mate van arbeidsongeschiktheid is na bezwaar onveranderd vastgesteld op minder dan 35%, zodat appellant ook na bezwaar geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en daar tegen aangevoerd dat de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gesteld dat appellant rondom de datum in geding cardiaal normaal belastbaar is. In de FML zijn wel beperkingen opgenomen ten aanzien van stress, conflicthantering en productiepieken, maar een duidelijke vertaling van een structurele beperking in concentratie en mentale duurbelasting ontbreekt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij gewezen op de brief van 24 mei 2024 van cardioloog Van der Weerd, maar appellant kan zich hier niet in vinden omdat dit hem door de cardioloog anders is meegegeven. Dit had voor de rechtbank ten minste aanleiding moeten geven om een onafhankelijk deskundige te benoemen. De door appellant in hoger beroep overgelegde informatie van 18 juli 2025 van zijn behandelend cardioloog bevestigt het sinds bezwaar ingenomen standpunt dat fysieke en mentale belasting strikt gemeden moet worden. De cardioloog heeft volgens appellant in deze brief bevestigd dat sprake is van een structurele vermoeidheid, inspanningsintolerantie (snelle verzuring), concentratiestoornissen en een belangrijke functionele beperking. Appellant heeft aangevoerd dat in beroep gemotiveerd is betoogd dat de geduide functies onverenigbaar zijn met de beperkingen zoals vastgesteld, met name wat betreft stress, conflicthantering en werkdruk. De geselecteerde functies overschrijden de belastbaarheid van appellant wat betreft het aantal uren per dag en de werkstress die dit met zich mee zou brengen. Functies als schadecorrespondent, administratief medewerker of medewerker afhandelingen gaan gepaard met deadlines, klantcontact, verantwoordelijkheid en mogelijk conflicterende belangen. De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft gesteld dat deze aspecten abstract verdisconteerd zijn, maar heeft niet concreet onderbouwd waarom dit voor de individuele functies toereikend zou zijn. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onder meer aangegeven dat conflicthantering geen hoofdbestanddeel van de functie mag zijn en dat omgang met agressieve of onredelijke personen beperkt dient te blijven. Maar in de arbeidsdeskundige toelichting wordt deze beperking feitelijk gereduceerd tot de vraag of sprake is van rechtstreekse (face-to-face) conflicten. Deze redenering is te formalistisch en miskent de aard van de beperking. Appellant is ook nog steeds van mening dat een vergoeding van de kosten in bezwaar ten onrechte is afgewezen en vindt dat het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond had moeten worden verklaard met toekenning van een proceskostenvergoeding.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
Wat appellant heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van de gronden die hij al in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en het aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat geen aanleiding bestaat de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden. Daartoe wordt overwogen dat de behandelende cardioloog in de brief van 24 mei 2024 antwoord heeft gegeven op de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gestelde vragen om tot een zorgvuldige inschatting te komen van de belastbaarheid van appellant. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat de informatie van de cardioloog niet op de juiste wijze in de beoordeling is betrokken.
5.4.
Wat appellant daartegen in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant op de datum in geding, 15 maart 2023. De Raad heeft geen aanknopingspunten om hierover anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Met het in hoger beroep ingebrachte rapport van 18 juli 2025 van de cardioloog aan de huisarts van appellant, is appellant er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de informatie van de cardioloog van 24 mei 2024 onjuist is geweest of onjuist is uitgelegd. In het rapport van 18 juli 2025 zijn anamnestische gegevens weergegeven, dat wil zeggen de door appellant op 30 juni 2025 aan de behandelaar genoemde klachten. Gelet hierop wordt benadrukt dat bij het vaststellen van de belastbaarheid in het kader van een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet de subjectieve, persoonlijke klachtbeleving bepalend is, maar wel wat objectief-medisch is vast te stellen. Er bestaat daarom geen aanleiding te twijfelen aan juistheid van de door het Uwv vastgestelde beperkingen.
5.5.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, wordt geen aanleiding gezien voor het raadplegen van een deskundige.
Arbeidskundige beoordeling
5.6.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn voor appellant als wordt uitgegaan van de FML van 24 mei 2024. De signaleringen zijn voldoende toegelicht. In de FML van 24 mei 2024 is bij beoordelingspunt 2.8.1 (omgaan met conflicten) vermeld dat appellant een conflict met agressieve of onredelijke mensen uitsluitend telefonisch of schriftelijk kan hanteren. Incidenteel is een direct conflict wel mogelijk, maar conflicthantering mag geen hoofdtaak van de functie zijn. Zoals uit de beschrijving van de functiebelasting volgt, heeft een medewerker in de functie customer service medewerker consument (SBC-code 532040) meermalen telefonisch zeer emotioneel contact vanuit de consument en kan een kredietnemer bij het inzagerecht boos worden (incidenteel, één keer per jaar). De functie behandeladviseur (SBC-code 516080) kent een kenmerkende belasting bij beoordelingspunt 2.8.1 die voortvloeit uit telefonisch of schriftelijk contact, namelijk: Dagelijks wel eens te maken met over assertieve, onredelijke, ontevreden klanten. Kan een enkele keer uitmonden in agressief taalgebruik. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, doet conflicthantering zich in de functies telefonisch en schriftelijk voor en incidenteel direct. Deadlines en/of productiepieken komen in de functies niet voor.
Kosten van bezwaar
5.7.
De beroepsgrond dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de kosten van bezwaar, slaagt niet. Op grond van artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kunnen de kosten van bezwaar alleen voor vergoeding in aanmerking komen als het primaire besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. In dit geval is het primaire besluit niet herroepen en komen de kosten van bezwaar reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D.M.A. van de Geijn