Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:365

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
25/864 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft een WIA-uitkering aangevraagd na ziekmelding met psychische en fysieke klachten, maar het UWV weigerde deze omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Zowel een arts als een arbeidsdeskundige stelden beperkingen vast, maar concludeerden dat appellante nog passende functies kon vervullen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanleiding was voor aanvullende medische informatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde uitvoerig waarom de beperkingen en belastbaarheid juist waren ingeschat, ook gezien de medische informatie en behandelingen.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen groter waren, onderbouwd met medische stukken. De Raad volgde dit niet en bevestigde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en voldoende gemotiveerd waren. De functies die appellante zou kunnen vervullen, zijn passend binnen haar beperkingen.

Het hoger beroep slaagde niet, waardoor de weigering van de WIA-uitkering gehandhaafd blijft. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/864 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 19 maart 2025, 24/4081 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 2 april 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellante per 13 september 2023 terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies daarom niet kan vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIAuitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.D. van Tellingen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 26 februari 2026. Appellante is verschenen bij gemachtigde mr. Van Tellingen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.R. van Piggelen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als algemeen medewerker voor 38,39 uur per week. Op 15 september 2021 heeft zij zich ziekgemeld met psychische en fysieke klachten. Nadat appellante een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een arts en een arbeidsdeskundige in opleiding van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 augustus 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige in opleiding heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 29 september 2023 geweigerd appellante met ingang van 13 september 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 8 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat appellante meer beperkingen heeft dan door de primaire arts is aangenomen en heeft een gewijzigde FML opgesteld van 19 maart 2024. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat de eerder geduide functies niet langer geschikt zijn en heeft aanvullend vier nieuwe functies geselecteerd. Zij heeft de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 21,85%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is geweest. Daarbij heeft de rechtbank onder meer van belang geacht dat de primaire arts vragen heeft gesteld aan de psycholoog en psychiater van Max Ernst GGZ, omdat appellante aangaf daar in behandeling te zijn. Daarop hebben de psychiater en psycholoog aangegeven dat ze de vragen niet kunnen beantwoorden, omdat appellante de behandeling bij Max Ernst GGZ na de intakegesprekken niet wilde voorzetten. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullende medische informatie had moeten opvragen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapporten van 19 maart 2024 en 9 september 2024 deugdelijk gemotiveerd waarom zij ook zonder nieuwe medische informatie een zorgvuldig onderzoek heeft kunnen verrichten naar de belastbaarheid van appellante per datum in geding. Zo geeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aan dat zij bekend was met de medicamenteuze behandeling en de overbruggingsgesprekken met de POH GGZ. De overbruggingsgesprekken zijn door de huisarts beschreven en zien niet op een medisch specifieke (nieuwe) behandeling. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat appellante zowel door haarzelf als door de primaire arts uitgebreid gesproken en gezien is. De rechtbank heeft die motivering kunnen volgen. Uit de beschikbare medische informatie kan ook niet afgeleid worden dat er een onvolledig beeld bestond van de gezondheidssituatie van appellante.
2.1.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellante onjuist heeft ingeschat. Meer beperkingen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet nodig geacht, omdat hiervoor medisch objectieve gegevens ontbreken. Met de gestelde beperkingen en voorwaarden in arbeid, wordt voorzien in een voldoende lage energetische belasting en bestaat er geen indicatie om een verdergaande beperking op werktijden te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in beroep uitvoerig en navolgbaar nader gemotiveerd waarom gelet op het dagverhaal, de behandelingen bij PsyQ, het psychisch onderzoek en de PTSS die in remissie is, een nadere urenbeperking niet aan de orde is. Voor de linkerknie van appellante, waaraan zij in 2009 is geopereerd, zijn beperkingen in de rubrieken dynamische handelingen, statische houdingen en fysieke omgevingseisen aangenomen, maar meer beperkingen voor de linkerknie hoeven volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te worden aangenomen. Er komt geen ernstig invaliderend medisch beeld naar voren, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep, gelet op de geconstateerde minimale afwijkingen ten tijde van het spreekuur en bij de huisarts en omdat appellante met haar knieklachten heeft gewerkt. In wat appellante in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank geen reden gezien om te twijfelen aan de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante heeft geen nieuwe medische informatie overgelegd die de rechtbank heeft doen twijfelen aan de beoordeling.
2.2.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv is bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid uitgegaan van de beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML van 19 maart 2024 heeft vastgelegd. De arbeidsdeskundige heeft in haar rapport van 3 mei 2024 voldoende uitgelegd waarom de door haar geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante. De rechtbank heeft in de beroepsgronden van appellante geen reden gezien om te twijfelen aan de passendheid van de geselecteerde functies. Het standpunt van appellante dat de functie van telefonist of medewerker callcenter (SBC-code 315174) haar belastbaarheid overschrijdt, omdat zij geen werk kan verrichten in visuele of auditieve hectiek, heeft de rechtbank niet gevolgd. Hierbij is overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangenomen dat appellante alleen werk kan doen waarin zij niet of nauwelijks wordt afgeleid door activiteiten van anderen (geen visuele of auditieve hectiek zoals drukke stationshal) (1.8.1). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft navolgbaar gemotiveerd dat deze functie past bij de belastbaarheid van appellante. De medewerker in deze functie kan ervoor kiezen om thuis te werken. Op locatie wordt in een kantoortuin gewerkt waar meerdere medewerkers aan het bellen zijn, maar dat vormt geen belemmering, omdat de medewerker aan een eigen werkplek zit die is afgescheiden door schotten en de medewerker daarnaast ook oortjes of een headset draagt, waardoor geluid van buitenaf wordt gedempt. De stelling van appellante ter zitting dat dit weliswaar het omgevingsgeluid kan wegnemen, maar de auditieve stress in gesprek met klanten blijft, maakt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat de belastbaarheid op dit punt wordt overschreden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft immers een beperking aangenomen voor auditieve hectiek, maar heeft niet vastgesteld dat appellante helemaal geen auditieve prikkels aankan. Dat de functie van medewerker postbezorging (SBC-code 315140) niet geschikt is omdat appellante geen staand werk mag verrichten, heeft de rechtbank ook niet gevolgd. In de FML van 19 maart 2024 is vastgelegd dat appellante zo nodig gedurende de helft van de werkdag kan staan (ongeveer vier uur). De rechtbank heeft geconstateerd dat de functie binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellante voor staan blijft.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft in hoger beroep haar standpunt herhaald dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanvullende medische informatie had hoeven opvragen. Appellante was door de huisarts naar I-psy en GGZ doorverwezen vanwege angstklachten, somberheidsklachten dan wel een depressie dan wel een depressieve stoornis. Uit de brief van de huisarts van 15 januari 2023 volgt dat appellante overbruggingsafspraken bij POH GGZ heeft, dat zij moet wachten op een intake bij Max Ernst, dat een behandeling moet worden gestart, en dat appellante al jarenlange klachten heeft waardoor de verwachting is dat de behandeling nog geruime tijd in beslag zal nemen. Dit gegeven in combinatie met het feit dat er jarenlang sprake is van depressie/psychische klachten bij appellante en dat een langdurige behandeling valt te verwachten, had voor de verzekeringsarts aanleiding moeten zijn om aanvullende informatie in te winnen bij de behandelende sector. Daarbij ontbrak het de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens appellante aan informatie om een inschatting maken van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Daarnaast stelt appellante dat de verzekeringsarts een afwijkend standpunt heeft over haar beperkingen, althans een standpunt heeft dat evident afwijkt van het standpunt van de behandelende sector (huisarts en GGZ), althans dat de verzekeringsarts onvoldoende motiveert waarom hij een ander standpunt heeft dan de behandelend sector. Appellante heeft erop gewezen dat sprake is van een voorgeschiedenis met psychische klachten, van recidiverende depressie en PTSS, van recidiverende behandeling voor psychische klachten, van recidiverende terugval van klachten, en van erger wordende klachten. Gelet op dit gegeven in combinatie met het feit dat de behandeling van de psychische klachten van appellante langdurig zal zijn, moet worden geconcludeerd dat de behandelende sector (huisarts en GGZ) zich op het standpunt stelt dat appellante niet belastbaar is, althans niet op datum geding belastbaar is. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante in hoger beroep een brief van 15 mei 2025 van GZ-psycholoog M. Klijnstra, een behandelplan van 10 februari 2026 van SGGZ en een besluit van 26 januari 2026 in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning overgelegd. Appellante kan de geduide functies niet vervullen omdat zij vanwege haar psychische klachten volstrekt niet in staat is zich goed te kunnen concentreren en omdat er in de functies deadlines of productiepieken aanwezig zijn, die zij niet aankan, ook niet in eenvoudig productiematig/routinematig werk. Appellante vindt ook dat het oordeel van de rechtbank dat appellante de functie van telefonist of medewerker callcenter kan vervullen onjuist is. De rechtbank stelt namelijk zonder onderbouwing of motivering dat de medewerker in deze functie ervoor kan kiezen om thuis te werken of op de werklocatie oortjes of een headset te dragen (waardoor het geluid van buitenaf wordt gedempt). Echter, het staat niet vast, en hiervoor is ook geen aanwijzing, dat appellante altijd thuis kan werken en dat oortjes of een headset de visuele of auditieve hectiek voldoende wegnemen. Bovendien wordt door de rechtbank, en ook door het Uwv, niet aangegeven waarom er in een kantoortuin waar meerdere medewerkers aan het bellen zijn, geen sprake zou zijn van visuele hectiek. De rechtbank heeft volgens appellante ook ten onrechte geoordeeld dat de functie van medewerker postbezorging passend is, aangezien appellante in staat moet worden geacht de helft van de werkdag te staan. Appellante is van mening dat hiermee onvoldoende rekening wordt gehouden met haar toenemende lichamelijke klachten, die maken dat zij feitelijk en opgeteld bij elkaar niet lang kan staan tijdens het werk en zeker niet de helft van de werkdag.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.2.
Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden tegen de medische grondslag van het bestreden besluit aangevoerd als in beroep. De rechtbank heeft deze gronden besproken en overtuigend gemotiveerd waarom deze niet slagen.
5.3.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag is gelegd en heeft terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullende medische informatie had moeten opvragen. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Daaraan wordt nog toegevoegd dat ook uit de in hoger beroep overgelegde medische informatie niet blijkt dat appellante op 13 september 2023 onder behandeling was voor haar psychische klachten. Voorts is met de rapporten van 15 mei 2025 en 10 februari 2026 niet aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld heeft gehad van de gezondheidstoestand van appellante en van haar belastbaarheid voor arbeid op 13 september 2023. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om te oordelen dat het Uwv de belastbaarheid van appellante onjuist heeft ingeschat. Ook in hoger beroep zijn geen aanknopingspunten gevonden om de medische beoordeling voor onjuist te houden. Het dossier bevat geen medische informatie waaruit blijkt dat dat de behandelende sector een afwijkend standpunt heeft over de beperkingen van appellante op de datum in geding. Appellante heeft dat standpunt ook in hoger beroep niet met medische informatie die ziet op de datum in geding onderbouwd. In de door appellante overgelegde stukken kan geen steun worden gevonden voor het standpunt dat zij verdergaand beperkt is dan aangenomen in de FML van 19 maart 2024.
Arbeidskundige beoordeling
5.4.
De rechtbank heeft ook terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat de geduide functies passend zijn. De door appellante gestelde arbeidskundige gronden houden niet meer in dan de stelling dat er meer medische beperkingen zijn dan door het Uwv zijn aangenomen en deze stelling treft, zoals hiervoor is overwogen, geen doel. De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat de in de FML van 19 maart 2024 opgenomen beperking voor “visuele of auditieve hectiek zoals drukke stationshal”, niet betekent dat appellante in het geheel geen auditieve of visuele prikkels aankan. De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft afdoende toegelicht dat de functies ook op dit aspect passend zijn voor appellante.

Conclusie en gevolgen

5.5.
Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellante een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D.M.A. van de Geijn