ECLI:NL:CRVB:2026:352
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving sinds 2019 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, aanvankelijk vastgesteld op circa 56%. Na een herbeoordeling in 2023 concludeerde het UWV dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 7 juni 2023. Appellante voerde aan dat zij door handklachten niet geschikt was voor de geselecteerde functies en dat zij niet adequaat aan haar handen was onderzocht.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat medische rapporten aantoonden dat haar handen wel waren onderzocht en dat de beperkingen niet zodanig waren dat zij de functies niet kon vervullen. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante geen nieuwe medische informatie heeft aangeleverd die het eerdere oordeel zou kunnen wijzigen. De Raad onderschrijft de motivering van de rechtbank en bevestigt dat de uitkering terecht is beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de WIA-uitkering blijft van kracht. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering per 7 juni 2023 wordt bevestigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.