ECLI:NL:CRVB:2026:352

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
25/488 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd

Appellante ontving sinds 2019 een WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, aanvankelijk vastgesteld op circa 56%. Na een herbeoordeling in 2023 concludeerde het UWV dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 7 juni 2023. Appellante voerde aan dat zij door handklachten niet geschikt was voor de geselecteerde functies en dat zij niet adequaat aan haar handen was onderzocht.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat medische rapporten aantoonden dat haar handen wel waren onderzocht en dat de beperkingen niet zodanig waren dat zij de functies niet kon vervullen. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante geen nieuwe medische informatie heeft aangeleverd die het eerdere oordeel zou kunnen wijzigen. De Raad onderschrijft de motivering van de rechtbank en bevestigt dat de uitkering terecht is beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de WIA-uitkering blijft van kracht. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: De beëindiging van de WIA-uitkering per 7 juni 2023 wordt bevestigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

25/488 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/488 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2025, 24/2156 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 maart 2026.
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering per 7 juni 2023 heeft beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellante heeft zij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan zij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 februari 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluis.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als zorgassistente voor 31,32 uur per week. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 9 oktober 2019 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 56,80%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 30 november 2019 een WGA-vervolguitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 55 tot 65%.
1.2.
In verband met een herbeoordeling in 2020 heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze verzekeringsarts heeft vastgesteld dat bij appellante tijdelijk sprake was van een situatie van geen benutbare mogelijkheden omdat zij in verband met haar gecompliceerde zwangerschap niet mocht werken. Het Uwv heeft bij besluit van 12 augustus 2020 de WIA-uitkering van appellante met ingang van 1 juni 2020 gewijzigd in een loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.
1.3.
In verband met een herbeoordeling in 2023 heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat bij appellante geen sprake meer is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden en dat zij dus belastbaar is voor werk. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 24 februari 2023. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en heeft de mate van arbeidsongeschikt van appellante vastgesteld op 20,08%. Het Uwv heeft bij besluit van 6 april 2023 (primair besluit) de WIA-uitkering van appellante per 7 juni 2023 beëindigd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.4.
Bij besluit van 29 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien om extra beperkingen aan te nemen en heeft deze beperkingen neergelegd in een gewijzigde FML van 20 februari 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft één van de primair geselecteerde functies verworpen en de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van de resterende functies (inclusief een functie die eerder als reservefunctie was aangemerkt) ongewijzigd vastgesteld op 20,08%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank heeft appellante geen medische stukken aangeleverd die doen twijfelen aan de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat zij niet volledig arbeidsongeschikt is. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat de handen van appellante niet zijn onderzocht. Uit zowel het rapport van 29 november 2019 van de verzekeringsarts die appellante heeft gezien in het kader van de beoordeling bij einde wachttijd voor de WIA als het rapport van 24 februari 2023 van de primaire arts in deze zaak blijkt dat appellante aan haar handen is onderzocht, waarbij de knijpkracht is vastgesteld. De rechtbank heeft overwogen dat uit de beide rapporten volgt dat bij appellante geen of zeer kleine afwijkingen zijn geconstateerd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan te nemen dat appellante niet aan haar handen is onderzocht. Uitgaande van de juistheid van de FML heeft de rechtbank tot slot overwogen dat niet is gebleken dat appellante de werkzaamheden die horen bij de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante is zij vanwege haar handklachten niet in staat de geselecteerde functies te vervullen en heeft het Uwv haar nooit aan haar handen onderzocht.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de WIA-uitkering van appellante in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat zij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd en geeft geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De gronden die in beroep zijn aangevoerd zijn door de rechtbank, zoals verkort weergegeven onder 2 van deze uitspraak, gemotiveerd besproken. Appellante heeft ook in hoger beroep geen nieuwe medische informatie in het geding gebracht die tot een ander oordeel over haar belastbaarheid moet leiden. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde motivering worden geheel onderschreven.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de WIA-uitkering per 7 juni 2023 in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) D. Semiz