ECLI:NL:CRVB:2026:351

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
25/808 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 53,04% en geschiktheid geselecteerde functies

Appellant, voormalig bagagemedewerker, is sinds mei 2021 ziekgemeld en heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 53,04% en selecteerde passende functies. Appellant betwistte dit en voerde aan dat zijn medische beperkingen groter zijn, waardoor hij de functies niet kan vervullen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en dat appellant onvoldoende medische onderbouwing had geleverd voor extra beperkingen. Appellant ging in hoger beroep en voerde met name psychische klachten en energiegebrek aan, maar de Raad volgde dit niet.

De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat het UWV terecht de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidskundige beoordeling heeft gehanteerd. De door appellant ingebrachte fysiotherapeutbrief leverde geen nieuwe inzichten op. De geselecteerde functies zijn medisch en arbeidskundig passend. Het hoger beroep wordt afgewezen en de toekenning van de WIA-uitkering blijft ongewijzigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van 53,04% arbeidsongeschiktheid en de geschiktheid van de geselecteerde functies.

Uitspraak

25/808 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/808 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 februari 2025, 24/4500 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 maart 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 4 mei 2023 heeft vastgesteld op 53,04%. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage juist heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Rastegar, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 februari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Rastegar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluis.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als bagagemedewerker op [bedrijf] voor gemiddeld 27,93 uur per week. Op 6 mei 2021 heeft hij zich ziekgemeld met belemmerende gezondheidsklachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een primaire arts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De arts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 oktober 2023. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 53,04%. Het Uwv heeft bij besluit van 6 november 2023 (primair besluit) aan appellant met ingang van 4 mei 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend.
1.2.
Bij besluit van 24 juni 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er aanleiding is om extra beperkingen aan te nemen en heeft deze beperkingen neergelegd in een FML van 21 mei 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de primair geselecteerde functies onverminderd geschikt zijn voor appellant en heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage ongewijzigd vastgesteld op 53,04%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek door de artsen van het Uwv zorgvuldig is geweest. Volgens de rechtbank heeft appellant niet met medische rapporten onderbouwd dat de artsen van het Uwv te weinig beperkingen hebben aangenomen. De rechtbank heeft, onder aanhaling van de toelichting die is gegeven door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, geconcludeerd dat wat appellant heeft aangevoerd over zijn (on)geschiktheid voor de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen (SBCcode 111334) geen doel treft.
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij is gedurende lange tijd behandeld voor somberheidsklachten en depressieve klachten. Dat hij hiervoor medicatie neemt betekent niet dat deze klachten zijn verholpen of onder controle zijn. Appellant heeft door deze klachten, in combinatie met zijn slaapritmeproblemen, overdag weinig energie en levenslust. Dat belemmert hem in zijn dagelijks leven en in het kunnen werken. Het is volgens appellant daarom onduidelijk waarom geen aanleiding wordt gezien voor het aannemen van een urenbeperking. Volgens appellant heeft het Uwv onvoldoende gemotiveerd waarom hij in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te vervullen en is de rechtbank hierop ten onrechte niet – of althans niet adequaat – ingegaan in de uitspraak.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is gesteld op 53,04% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep getrokken conclusies. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
De door appellant in hoger beroep in het geding gebrachte brief van 26 januari 2026 van fysiotherapeut [naam], waarin zij heeft vermeld dat appellant in 2025 een half jaar bij haar onder behandeling is geweest, geeft geen aanleiding tot een andere conclusie nu hieruit geen nieuwe inzichten blijken over de situatie van appellant op de datum in geding.
Arbeidskundige beoordeling
4.4.
Uitgaande van de juistheid van de FML van 21 mei 2024 wordt de rechtbank ook gevolgd in het oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd over de (on)geschiktheid van de functies huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334), productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) en textielproductenmaker (SBC-code 111160) komt voor een deel in feite neer op een betwisting van de FML van 21 mei 2024. Zoals hiervoor is overwogen mocht het Uwv zich voor wat betreft de belastbaarheid van appellant per 4 mei 2023 baseren op die FML. Voor zover wat appellant stelt wel betrekking heeft op de arbeidskundige kant van de zaak geldt dat door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 10 juni 2024 op inzichtelijke en navolgbare wijze is gemotiveerd waarom de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Er is dus geen aanleiding om te twijfelen aan de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep getrokken conclusie dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de WIA-uitkering aan appellant waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 53,04% in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) G.T. Hunsel