ECLI:NL:CRVB:2026:350

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
24/2055 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIAArt. 6:22 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid werknemer op 71,11% door UWV

In deze zaak staat de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van een werknemer centraal. De werknemer is sinds 2014 arbeidsongeschikt en ontvangt een WIA-uitkering. Het UWV heeft na herbeoordelingen de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op circa 71%, waarbij de beperkingen en benutbare mogelijkheden van de werknemer zijn onderzocht aan de hand van medische en arbeidskundige rapporten.

Appellante betwistte deze vaststelling en stelde dat de werknemer meer beperkingen heeft dan het UWV heeft aangenomen, onder meer op basis van een Belgisch medisch rapport dat een andere diagnose en beperkingen vermeldde. De rechtbank Rotterdam heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en het besluit van het UWV in stand gelaten, waarbij zij de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV als voldoende en overtuigend beoordeelde.

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van appellante eveneens verworpen. De Raad oordeelde dat het UWV terecht is uitgegaan van de Nederlandse wet- en regelgeving en de Functionele Mogelijkhedenlijst conform het CBBS-systeem. De Belgische medische beoordeling kon niet doorslaggevend zijn omdat deze niet was afgestemd op de Nederlandse beoordelingssystematiek. De Raad onderschreef de motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de beperkingen van de werknemer niet waren gewijzigd en dat de geselecteerde functies passend zijn.

De Raad concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid van 71,11% juist is vastgesteld en dat de werknemer daarmee recht heeft op een WGA-uitkering, maar niet op een IVA-uitkering. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht een mate van arbeidsongeschiktheid van 71,11% heeft vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2055 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 juli 2024, 23/2508 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] B.V. te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 25 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80% heeft berekend voor werknemer. Volgens appellante heeft werknemer meer (medische) beperkingen door zijn klachten dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80% heeft berekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 juni 2025. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] . Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.
Na de zitting is het onderzoek heropend.
De Raad heeft een vraag aan de arts-gemachtigde van appellante, C.J.F.P.M. Rossou, gesteld.
De arts-gemachtigde Rossou heeft bij rapport van 29 augustus 2025 gereageerd. Daarop heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 oktober 2025 overgelegd. Appellante heeft daarop gereageerd bij brief van 2 december 2025.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een nadere zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
De werknemer, [naam werknemer] , is op 25 november 2014 uitgevallen voor zijn werk als internationaal vrachtwagenchauffeur bij appellante voor 56 uur per week. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 12 oktober 2016 heeft het Uwv werknemer na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 22 november 2016 een loongerelateerde WGAuitkering toegekend. Deze uitkering is met ingang van 22 november 2018 overgegaan in een WGA-loonaanvullingsuitkering.
1.2.
Op verzoek van appellante heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, heeft het Uwv bij besluit van 17 september 2018 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 71,67%. Appellante heeft op 15 januari 2021 opnieuw een verzoek om herbeoordeling ingediend en gesteld dat werknemer in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Het Uwv heeft de medische beoordeling overgedragen aan het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV), omdat werknemer woonachtig is in België. Het RIZIV heeft een rapport van 20 mei 2021 (RIZIV-rapport) overgelegd. Een verzekeringsarts heeft bij rapport van 2 juli 2021 vervolgens vastgesteld dat de benutbare mogelijkheden van werknemer niet zijn gewijzigd. Het Uwv heeft bij besluit van 7 juli 2021 werknemer meegedeeld dat zijn WIAuitkering ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 71,67%.
1.3.
Bij besluit van 24 maart 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 juli 2021 ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 maart 2023 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit rapport vastgesteld dat de beperkingen van werknemer, zoals eerder vastgesteld per 1 april 2020, niet gewijzigd zijn.
1.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in beroep de beperkingen van werknemer vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 juni 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft blijkens zijn rapport van 26 juni 2024 op basis van deze FML functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 71,11%. Werknemer blijft ingedeeld in de klasse 65 tot 80%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Voort is bepaald dat het Uwv de proceskosten en griffierecht aan appellante vergoedt.
2.1.
De rechtbank heeft kort samengevat geoordeeld dat het Uwv een zorgvuldig onderzoek heeft verricht.
2.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de functionele mogelijkheden van werknemer correct zijn vastgesteld. Zij heeft geen grond om te twijfelen aan de conclusie van het Uwv dat de mate van arbeidsongeschiktheid van de werknemer per 22 januari 2021 ongewijzigd is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport op inzichtelijke en overtuigende wijze gemotiveerd dat werknemer, ondanks zijn beperkingen, over benutbare mogelijkheden beschikt. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport op inzichtelijke en overtuigende wijze gemotiveerd dat werknemer per 22 januari 2021 in staat is de geselecteerde functies te verrichten.
2.2.1.
De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat de Belgische arts in het RIZIV-rapport heeft aangegeven dat er, ten opzichte van het voorgaande rapport, geen veranderingen zijn en dat de zus van werknemer op de hoorzitting heeft verklaard dat de ziekte van hem al jaren hetzelfde is en dat het aantal aanvallen globaal gezien per jaar hetzelfde is, maar dat de periodes variëren. De rechtbank heeft voorts opgemerkt dat appellante in beroep geen andere nieuwe medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan aan het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zou kunnen worden getwijfeld of waaruit blijkt dat werknemer meer beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld.
2.2.2.
Naar aanleiding van de door appellante naar voren gebrachte stelling dat uit het Belgische rapport volgt dat sprake is van aanvallen als gevolg waarvan werknemer daglicht moet vermijden, heeft de rechtbank het volgende overwogen. Op de zitting is toegelicht dat de Belgische arts K. van Kerckhoven de oorzaak van het vermijden van daglicht onjuist heeft gediagnostiseerd. Uit de beschikbare medische informatie en de rapporten van de verzekeringsartsen van het Uwv komt de diagnose naar voren die aan de basis ligt van de beoordeling van het Uwv. Bij het ziektebeeld van werknemer hoort een andere diagnose dan waar de Belgische arts vanuit is gegaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in dit kader ook overwogen dat de oorzaak en de ziekte van werknemer al bekend waren en onveranderd zijn. Er is, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep, geen aanleiding om beperkingen ten aanzien van het vermijden van daglicht aan te nemen, omdat daglicht bij het type aandoening van de werknemer geen luxerende factor is.
2.2.3.
Appellante heeft verder naar voren gebracht dat onvoldoende is gemotiveerd waarom de conclusie van de Belgische arts Van Kerckhoven dat werknemer volledig arbeidsongeschikt is ter zijde is geschoven. Deze beroepsgrond kan niet slagen volgens de rechtbank. Bij het bepalen van de mate van arbeidsongeschiktheid moet met de uitkomst van het onderzoek in België rekening worden gehouden. Echter mogen de verzekeringsartsen van het Uwv afwijken van de door de Belgische arts in het E 213-formulier van 20 mei 2021 neergelegde beperkingen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald dient te worden aan de hand van de Nederlandse wet- en regelgeving inzake arbeidsongeschiktheid. Daarnaast wordt de belastbaarheid in arbeid vastgesteld conform de FML en invulinstructies van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Van een arts in het buitenland kan niet verwacht worden dat de FML conform het CBBS-systeem wordt ingevuld omdat die arts de specifieke deskundigheid en ervaring mist. Het was dan ook niet aan de Belgische arts om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen.
2.2.4.
Met betrekking tot de beroepsgrond dat een forsere urenbeperking dient te worden aangenomen heeft de rechtbank appellante niet gevolgd. Na toetsing aan de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien om een forsere urenbeperking toe te kennen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat bij de beoordeling al rekening is gehouden met uitvalrisico als gevolg van de klachten. Hij stelt verder vast dat er geen sprake is van verminderde beschikbaarheid voor arbeid in verband met opname of deeltijdtherapie, dat er geen stoornis is in de energiehuishouding door energietekort, te groot energieverbruik dan wel verminderde recuperatiemogelijkheden zoals bedoeld in de standaard en dat ook geen sprake is van een aandoening waarbij een patroon tot grensoverschrijding bestaat of sprake is van zelfoverschatting of beperkt ziektebesef waarmee preventief een urenbeperking zou moeten worden aangenomen.
2.2.5.
Voor zover appellante zich op het standpunt heeft gesteld dat werknemer volledig arbeidsongeschikt is, kan appellante niet worden gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft inzichtelijk gemotiveerd dat bij de werknemer geen sprake is van een situatie van geen benutbare mogelijkheden. De werknemer voldoet niet aan één van de uitzonderingscategorieën zoals staan beschreven in het Schattingsbesluit. Daarbij heeft hij overwogen dat werknemer op de datum in geding niet was opgenomen op medische indicatie, dat er geen sprake is van chronische bedlegerigheid en dat hij niet van algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) afhankelijk is. Verder heeft hij overwogen dat werknemer zelfstandig woont en huishoudelijke taken kan doen op de dagen dat hij geen klachten heeft.
2.2.6.
Naar aanleiding van de stelling van appellante dat de functies niet getoetst zijn aan de actuele medische situatie en dat daardoor niet te toetsen is of de mate van arbeidsongeschiktheid juist is vastgesteld, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 24 juni 2024 een actuele FML vastgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep het CBBS geraadpleegd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens vastgesteld dat er voldoende gelijksoortige functies kunnen worden geselecteerd en dat deze functies op 22 januari 2021 actueel zijn. In het rapport van 26 juni 2024 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de mate van arbeidsongeschiktheid van werknemer vastgesteld op 71.11%, waarmee werknemer blijft ingedeeld in de klasse 65 tot 80%.
2.3.
De rechtbank heeft geen grond gezien voor het oordeel dat de belasting van de door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voorgehouden functies de mogelijkheden van werknemer op 22 januari 2021 overschrijdt, zodat deze functies voor werknemer op deze datum geschikt zijn. Vergelijking van het inkomen dat de werknemer in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van meer dan 35% maar minder dan 80%.
2.4.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat werknemer daarmee onverminderd recht heeft op een WGA-uitkering. Dit betekent tevens dat werknemer niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering, aangezien daarvoor in elk geval een arbeidsongeschiktheid van minimaal 80% is vereist.
2.5.
Omdat pas in beroep een volledige onderbouwing is geweest voor de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, heeft de rechtbank toepassing gegeven aan artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Zij heeft herhaald dat de beperkingen van werknemer niet juist zijn vastgesteld en dat de informatie van RIZIV over de aandoening van werknemer en de uitlokkende factor (daglicht) door het Uwv onvoldoende gemotiveerd terzijde is geschoven. Er is sprake van willekeur. Appellante wijst op wetenschappelijke onderbouwing voor het aannemen van forsere beperkingen in de FML. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante informatie van artsgemachtigde Rossou van 30 april 2025 en van 29 augustus 2025 overgelegd. Rossou is van oordeel dat het totaal aan triggers onvoldoende is uitgevraagd en verwoord in de FML.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 6 juni 2025 en 31 oktober 2025, verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de mate van arbeidsongeschiktheid op 71,11% in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
5.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in wezen een herhaling van wat zij in beroep tegen de medische onderbouwing van het bestreden besluit naar voren heeft gebracht en vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 6 juni 2025 gemotiveerd toegelicht waarom de bevindingen van arts-gemachtigde Rossou niet leiden tot een andersluidend oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de gronden weerlegd met betrekking tot de aanvalsfrequentie van werknemer en de triggers, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen medische onderbouwde triggers en subjectieve triggers. Voor de verminderde stressbestendigheid zijn in de FML beperkingen in persoonlijk en sociaal functioneren aangenomen. Daarnaast is geen sprake van een beeld van sterk wisselende mogelijkheden bij werknemer, omdat hij niet een langere tijd niet zelfredzaam is vanwege de aandoening. Hij woont zelfstandig en is niet ADL afhankelijk. Voor een forsere urenbeperking is geen aanleiding. Met de urenbeperking van maximaal vier uur per dag en twintig uur per week wordt rekening gehouden met het uitvalrisico vanwege de hoofdpijnaanvallen. Uit het primaire rapport alsook uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat de aanvallen 3-5 keer per week voorkomen en 2-2,5 uren duren. Daarnaast zijn er dagen zonder aanvallen en in een rustige periode kan werknemer twee keer per week een aanval krijgen. Met de aangenomen urenbeperking wordt, naast het uitvalrisico, ook rekening gehouden met de noodzakelijke recuperatie. In het rapport van 31 oktober 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn eerder ingenomen standpunt herhaald en overwogen dat aanvullende medische informatie niet is overgelegd ter onderbouwing van het standpunt van appellante. De Raad kan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep geheel volgen.

Conclusie en gevolgen

5.4
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat het Uwv terecht een mate van arbeidsongeschiktheid van 71,11% voor werknemer heeft berekend.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van G.T. Hunsel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) G.T. Hunsel