Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
In deze uitspraak oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ten tijde van het instellen van het beroep was er geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit. Het verzoek om schadevergoeding in deze procedure wordt afgewezen omdat datgene wat volgens appellant schade heeft veroorzaakt nu niet ter beoordeling voorligt.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 september 2025, gelijktijdig met procedurenummer 25/1571. Appellant is verschenen. Het college heeft via videobellen aan de zitting deelgenomen en zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Smith en I. Zeper. Na sluiting van het onderzoek op de zitting heeft appellant een verzoek ingediend om wraking van de behandelend rechter en vervolgens een verzoek om wraking van de rechters die dit verzoek zouden beoordelen. Beide verzoeken zijn afgewezen.
De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank in stand kan blijven aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. De Raad stelt vast dat het college op 16 oktober 2024 een besluit heeft genomen op de aanvraag van appellant. Bij de formulering van de ingebrekestelling heeft appellant zich uitsluitend geconcentreerd op het ontbreken van een formeel besluit over de voorzetting of de beëindiging van zijn verblijf bij de zorgaanbieder. Hij heeft niet gereageerd op de vraag van het college of de ingebrekestelling was bedoeld als een melding en geen nieuwe aanvraag gedaan.
Gelet op de feiten en omstandigheden heeft de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen omdat de vraag van onrechtmatigheid van de uitzetting niet aan de orde is in deze procedure. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank en wijst het verzoek om schadevergoeding af.