ECLI:NL:CRVB:2026:339

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
24/2313 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag maatwerkvoorziening en noodopvang Wmo 2015 bevestigd

Appellante, geboren in 1993, heeft samen met haar twee minderjarige kinderen een verzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om opvang te verkrijgen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college wees dit verzoek af omdat appellante voldoende zelfredzaam is en niet voldoet aan de regiobindingseis voor toegang tot de Amsterdamse noodopvang.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en handhaafde het besluit van het college. De rechtbank oordeelde dat appellante geen problemen heeft met het zich handhaven in de samenleving, gezien haar bijstandsuitkering, zorgtoeslag, kinderbijslag, kindgebonden budget, eerdere zelfstandige woonervaringen en deelname aan schuldhulpverlening. Ook ontbraken medische stukken die haar onzelfredzaamheid zouden aantonen. De rechtbank bevestigde dat de Wmo 2015 niet bedoeld is om het tekort aan betaalbare woonruimte op te lossen.

Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel recht heeft op opvang, mede omdat zij en haar kinderen de woning van haar stiefmoeder moeten verlaten. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde echter dat appellante geen nieuwe gronden had aangevoerd die het oordeel van de rechtbank zouden wijzigen. Daarnaast kon appellante niet aannemelijk maken dat zij tussen 2019 en 2021 wegens studie in het Verenigd Koninkrijk woonde, waardoor geen uitzondering op de regiobindingseis kon worden gemaakt.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waardoor de afwijzing van de maatwerkvoorziening en de weigering van toegang tot de noodopvang in stand blijven. Er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor maatwerkvoorziening en noodopvang op grond van de Wmo 2015 wordt bevestigd.

Uitspraak

24/2313 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2313 WMO15
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2024, 23/5771 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 19 maart 2026

SAMENVATTING

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van (nood)opvang. Deze afwijzing blijft in stand.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken overgelegd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 januari 2026. Appellante is via videobellen verschenen. Het college heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door mr. E.D. Mensing van Charante.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1993, en haar twee minderjarige kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. Op 19 augustus 2021 is appellante vanuit het Verenigd Koninkrijk naar [woonplaats] teruggekeerd. Appellante en haar kinderen wonen in bij de stiefmoeder van appellante. Op 13 maart 2023 heeft appellante het college gevraagd om opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
1.2.
Bij besluit van 12 april 2023, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 23 augustus 2023 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek om een maatwerkvoorziening voor opvang afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante niet voor een maatwerkvoorziening opvang in aanmerking komt, omdat zij voldoende zelfredzaam is. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellante ook geen toegang heeft tot de Amsterdamse noodopvang voor zelfredzame dakloze gezinnen (noodopvang), omdat appellante niet voldoet aan de hiervoor geldende regiobindingseis.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat appellante niet voldoet aan de voorwaarde voor een maatwerkvoorziening voor opvang. Zij heeft namelijk geen problemen bij het zich handhaven in de samenleving. Appellante heeft een bijstandsuitkering en ontvangt zorgtoeslag, kinderbijslag en een kindgebonden budget. Verder heeft appellante zelfstandig op woningen in meerdere regio’s gereageerd en eerder zonder problemen zelfstandig gewoond. Appellante heeft hulpvragen op het gebied van financiën, maar er zijn al betalingsregelingen getroffen en appellante zit bij de schuldhulpverlening. Appellante heeft verschillende banen gehad, zodat aannemelijk is dat zij een nieuwe baan zal vinden. Het is voor te stellen dat appellante stress ervaart en zich depressief voelt, maar er is geen medisch stuk overgelegd waaruit blijkt dat zij daardoor niet meer zelfredzaam is. Er is nog geen oplossing voor het huisvestingsprobleem van appellante, maar uit vaste rechtspraak volgt dat de Wmo 2015 niet bedoeld is om een oplossing te bieden voor het tekort aan betaalbare woonruimte in Nederland. De rechtbank heeft daarom de conclusie van het college gevolgd dat appellante geen aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening voor opvang. Ook de weigering om appellante toe te laten tot de noodopvang kan naar het oordeel van de rechtbank in stand blijven. Appellante voldoet niet aan de daarvoor geldende regiobindingseis. Het college heeft zich weliswaar bereid getoond om op deze eis een uitzondering te maken als appellante met stukken zou onderbouwen dat zij wegens studie in het Verenigd Koninkrijk woonde, maar dergelijke stukken ontbreken.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. Mede gelet op het verhandelde ter zitting, waaruit onder meer naar voren komt dat appellante en haar kinderen de woning van haar stiefmoeder moeten verlaten en dat appellante nog steeds in aanmerking wil komen voor de gevraagde voorziening, acht de Raad procesbelang aanwezig. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
De afwijzing van de maatwerkvoorziening opvang
4.1.
Voor zover appellante zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank over de maatwerkvoorziening opvang heeft gekeerd, heeft zij geen nieuwe of andere gronden aangevoerd of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. De Raad is het eens met de overwegingen van de rechtbank en het op grond daarvan gewezen oordeel over de maatwerkvoorziening voor opvang en verwijst daarnaar.
De weigering van toegang tot de noodopvang
4.2.
Tussen partijen is ten aanzien van de noodopvang alleen nog in geschil of appellante aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de periode van 13 maart 2019 tot 19 augustus 2021 wegens haar studie in het Verenigd Koninkrijk woonachtig was. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante dat niet aannemelijk heeft gemaakt. De in (hoger) beroep overgelegde informatie leidt niet tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de afwijzing voor (nood)opvang in stand blijft.
5. Voor vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D. Hardonk-Prins en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2026.
(getekend) L.M. Tobé
(getekend) F.M. Gerritsen