ECLI:NL:CRVB:2026:330
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens verregaande nalatigheid van militair ambtenaar bevestigd
Appellant, werkzaam als majoor en lid van een militair harmonieorkest, werd ontslagen wegens verregaande nalatigheid. Dit betrof onder meer het zonder annuleringsregeling boeken van een hotel, het indienen van onjuiste reisdeclaraties voor zichzelf en orkestleden, het onterecht declareren van zaterdag-, zondag- en feestdaguren, het langdurig niet terugbetalen van geleend geld uit de CD-pot en het bewust verstrekken van foutieve gegevens bij een kilometervergoeding.
De Commissie van Onderzoek en Advies concludeerde dat appellant nalatig had gehandeld en adviseerde ontslag. De staatssecretaris verleende daarop ontslag, wat door appellant werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het ontslag terecht was en niet onevenredig.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad kwalificeerde de gedragingen van appellant als verregaande nalatigheid en vond het ontslag passend gezien zijn voorbeeldfunctie en de hoge eisen aan integriteit binnen Defensie. Persoonlijke en financiële gevolgen van het ontslag wogen onvoldoende om het ontslag als onevenredig te bestempelen.
De Raad wees het hoger beroep af en liet het ontslagbesluit in stand. Appellant kreeg geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens verregaande nalatigheid wordt bevestigd en blijft in stand.