ECLI:NL:CRVB:2026:325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en weigering herleving WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2016 arbeidsongeschikt en ontving een WIA-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 24 december 2020 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante stelde dat haar beperkingen groter waren dan het UWV aannam en dat er sprake was van toegenomen beperkingen na een verkeersongeval.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de medische en arbeidskundige beoordelingen voldoende waren gemotiveerd. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat haar psychische en lichamelijke beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat de deskundige haar situatie had overschat.
De Centrale Raad van Beroep liet een onafhankelijke deskundige het medisch dossier beoordelen. Deze concludeerde dat de beperkingen van appellante op de relevante data juist waren vastgesteld en dat er geen sprake was van toegenomen beperkingen. De Raad volgde dit oordeel en bevestigde de eerdere uitspraken, waarmee de beëindiging en weigering van de WIA-uitkering in stand bleven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging en weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.