7.1.Deskundige Vervoort heeft in haar rapport van 29 april 2025 geconcludeerd dat de beschikbare medische informatie vanuit de curatieve sector en de verzekeringsgeneeskundige rapporten van het Uwv de gewijzigde beoordeling per 24 december 2020 bevestigen. In tegenstelling tot de psychische situatie van appellante in 2018 en 2019, waarin appellante kampte met een psychische klachten met volledig disfunctioneren en geen benutbare mogelijkheden, blijkt uit de informatie dat in 2020 er een ander psychisch beeld speelde. Appellante kampte ook toen met psychische problematiek, maar had wel mogelijkheden tot functioneren. De diagnose in 2021 vanuit de sGGZ bevestigt de aanwezigheid van stemmingsproblematiek, maar zonder kenmerken van ernstige of onbegrepen psychiatrische aandoening zoals eerder werd verondersteld. De inschatting op lichamelijk vlak is door de verzekeringsarts eveneens correct ingeschat. Alle klachten zijn meegewogen, maar de ernst daarvan is later beperkt gebleken. Op aanvullende onderzoeken door de orthopeed, radiologische en artroscopisch, bleek er geen ernstige pathologie te bestaan. De beoordeling in 2020 wijkt terecht af van die in 2018/2019.
8. Appellante kan zich niet verenigen met de inhoud van het rapport. Zij acht op de eerste plaats niet inzichtelijk hoe de deskundige tot haar conclusies is gekomen met betrekking tot de beoordeling van de psychische klachten. Appellante heeft aangevoerd dat de deskundige aan de ene kant aangeeft dat de psychische klachten die tot de hernieuwde start van de behandeling in juli 2021 hebben geleid, op de datums in geding ook hebben bestaan. Dit is anders dan het Uwv heeft geoordeeld. Desondanks wordt de gehele beoordeling van het Uwv van de psychische problematiek en de vertaling daarvan in de beperkingen op cognitief en sociaal vlak, door de deskundige in stand gelaten. Appellante acht niet inzichtelijk gemaakt hoe het kan dat het Uwv enerzijds ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de nieuwe aanmelding vanwege psychische problematiek, anderzijds geen aanvullende beperkingen heeft hoeven hanteren. Daarnaast blijft appellante van mening dat haar activiteitenniveau eind 2020/begin 2021 niet zo veel beter was dan in 2018/2019. Zo is bijvoorbeeld bij de beroepsgronden van 11 mei 2023 een verwijsbrief van de huisarts meegestuurd waarin journaalregels worden geciteerd waarin slaat dat appellante, behalve wat licht huishoudelijk werk, nauwelijks iets ondernam, nog steeds was aangewezen op thuisbegeleiding en wordt verwezen naar initiatieven als Het Kiemuur, om toch maar iets te ondernemen en onder de mensen te komen. Zelfs het maken van een wandelingetje na het eten is iets wat met de huisarts moet worden besproken. Ook tijdens de hoorzitting is opgemerkt dat appellante zich isoleerde en, behalve haar dochter, met vrijwel niemand meer contact had. Appellante is daarom van mening dat de deskundige haar sociale activiteitenniveau in die periode heeft overschat. Bovendien zijn de opmerkingen van appellante dat ze af en toe naar de sportschool gaat en contact heeft met een vriendin, gedaan in juli 2020. Daarna is de situatie verslechterd. Wat betreft de lichamelijke klachten, blijft appellante bij de eerder naar voren gebrachte beroepsgronden en acht zij het onderzoek hiernaar niet zorgvuldig.
9. De deskundige heeft in een rapport van 10 januari 2026 gereageerd op een nadere vraagstelling van de Raad en de zienswijzen van partijen. In reactie op de vraagstelling van de Raad heeft de deskundige meegedeeld dat in het rapport van 29 april 2025 in de beschouwing over de psychische situatie van appellante een onjuistheid is ontstaan in de bronvermelding van de externe medische informatie. De in het rapport genoemde diagnose in 2021 is niet afkomstig van Impegno, zoals ten onrechte is vermeld, maar afkomstig uit het sGGZ-intakegesprek bij Breburg, diagnostiek door psycholoog Mabelis, met verslaglegging daterend van juli 2021. Deze onjuistheid betreft uitsluitend de herkomst van de informatie en niet de inhoudelijke weging daarvan. De informatie bevestigt volgens de deskundige dat er op de datums in geding sprake was van stemmingsproblematiek van beperkte tot matige ernst, passend bij de vastgestelde beperkingen. In de reactie van appellante heeft de deskundige geen aanleiding gezien tot aanpassing van haar conclusies. De deskundige heeft erop gewezen dat het door appellante aangevoerde in haar beoordeling expliciet is besproken en meegewogen en dat dit ook in het rapport is beschreven. Daarbij is onderkend dat per datum in geding sprake was van psychische problematiek en beperkingen, maar is op basis van het geheel aan medische informatie, waaronder huisartsgegevens, psychologische informatie en het feitelijk functioneren, geconcludeerd dat het beeld per eind 2020 wezenlijk verschilde van dat in 2018 en 2019. Daarbij is door de deskundige vooropgesteld dat de aanwezigheid van klachten niet zonder meer betekent dat sprake is van dezelfde ernst en functionele consequenties als in de eerdere beoordelingsperiode. Dat appellante beperkingen had, is vertaald in de vastgestelde FML. De beschikbare informatie bood echter geen aanknopingspunten voor het aannemen van een situatie zonder benutbare mogelijkheden of voor verdergaande cognitieve of sociale beperkingen dan reeds zijn aangenomen.