ECLI:NL:CRVB:2026:311

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/2679 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbUitvoeringsregeling Wmo 2015Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2019 Artikel 1Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2019 Artikel 13Artikel 5 Handelsregisterwet 2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging omvang, duur en tarief maatwerkvoorziening beschermd wonen

Appellant, met complexe problematiek, ontvangt sinds 2016 een maatwerkvoorziening beschermd wonen via een persoonsgebonden budget (pgb). Na diverse besluiten en bezwaarprocedures heeft het college de indicatie vastgesteld op 56 uur per week begeleiding door een persoon uit het sociale netwerk tegen een aangepast uurtarief. De rechtbank oordeelde dat deze omvang en het tarief passend zijn en wees schadevergoedingsverzoeken af wegens gebrek aan onderbouwing.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat de ondersteuner als gespecialiseerde hulp erkend moet worden met een hoger uurtarief en dat een langere indicatieduur noodzakelijk is, mede voor toekomstige situaties. De Raad overwoog dat het college terecht het tarief voor begeleiding door het sociale netwerk hanteert, omdat formele ondersteuning niet aan de orde is en er geen bijzondere omstandigheden zijn om hiervan af te wijken.

De indicatieduur van drie jaar is niet onredelijk kort gezien de kwetsbare situatie van appellant en het onafhankelijke advies. Er is geen bewijs dat een nieuw onderzoek te belastend is. De Raad sluit zich aan bij de rechtbank dat schadevergoedingsverzoeken niet toewijsbaar zijn en bevestigt de eerdere uitspraken. Appellant krijgt geen vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de omvang, duur en het tarief van de maatwerkvoorziening beschermd wonen en wijst de hoger beroepen en schadevergoedingsverzoeken af.

Uitspraak

24/2679 WMO15, 25/546 WMO15, 25/547 WMO15
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2679 WMO15, 25/546 WMO15, 25/547 WMO15
Uitspraken op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 23 oktober 2024, 23/1865 (aangevallen uitspraak 1) en van 11 maart 2025, 24/3886 en 24/5054 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Heerlen, namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade (college)
Datum uitspraak: 12 maart 2026
SAMENVATTING
Deze uitspraak gaat over de omvang en de duur van maatwerkvoorzieningen voor beschermd wonen en het gehanteerde uurtarief voor de begeleiding door één van de ondersteuners. De hoger beroepen slagen niet. Appellant wordt niet tekort gedaan met de verstrekte 56 uur per week aan begeleiding met een uurtarief gebaseerd op ondersteuning door een persoon uit het sociale netwerk. In de situatie van appellant is een indicatieduur van uiteindelijk drie jaar niet onredelijk kort. De Raad is het ook eens met de oordelen van de rechtbank over de verzoeken om schadevergoeding.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam 1] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaken gevoegd behandeld op een zitting van 29 januari 2026. Voor appellant is verschenen [naam 1] . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.H.J.M. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1991, is bekend met complexe problematiek. Hij woont sinds 2009 in huis bij [naam 1] (hierna: ondersteuner), die tevens zijn wettelijk vertegenwoordiger (curator) is. Sinds 15 augustus 2016 ontvangt appellant een maatwerkvoorziening beschermd wonen in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).
1.2.
Op 15 juli 2019 heeft appellant het college verzocht om verlenging en ophoging van de maatwerkvoorziening beschermd wonen. Hij ontving op dat moment 40 uur per week begeleiding ‘persoonlijk netwerk’ van zijn zorgverlener tegen een uurtarief van € 13,74 en 3 uur per week begeleiding ‘persoonlijk speciaal’ van een andere, externe ondersteuner, [naam 2] , tegen een uurtarief van € 40,-.
Besluitvorming zaak 24/2679
1.3.
Met een besluit van 27 maart 2020 heeft het college voor de periode van 1 april 2020 tot en met 31 december 2020 de maatwerkvoorziening beschermd wonen ongewijzigd voortgezet. Met de beslissing op bezwaar van 20 augustus 2020 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit I.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard en het college opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. [1] Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college een onafhankelijke derde partij een onderzoek laten verrichten. Op 5 mei 2023 heeft Factum Advies (Factum) een advies uitgebracht. Conclusie is dat beschermd wonen zoals gedefinieerd in de Wmo 2015 niet aansluit bij de persoonskenmerken van appellant en niet passend is en dat appellant woont in adequate huisvesting met passende begeleiding die te vergelijken is met beschermd wonen. Er is sprake van een zware (complexe) problematiek op vrijwel alle leefgebieden en de verwachting is dat geen of weinig ontwikkeling in de situatie van appellant kan worden bereikt. De door de ondersteuner aangegeven acht uur begeleiding per dag wordt als redelijk en billijk gezien.
1.5.
Met een beslissing op bezwaar van 6 juli 2023 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en de indicatie van appellant met ingang van 1 september 2019 gewijzigd in 56 uur per week begeleiding ‘persoonlijk netwerk’ en 3 uur per week begeleiding ‘persoonlijk speciaal’. Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit II.
1.6.
Met een besluit van 10 juli 2024 (bestreden besluit III) heeft het college bestreden besluit II gewijzigd en het uurtarief voor begeleiding ‘sociaal netwerk’ verhoogd en vastgesteld op € 19,51 per uur voor de periode van 1 september 2019 tot 1 juni 2020 en op € 20,20 voor de periode van 1 juli 2020 tot en met 31 december 2020. Het college heeft een bedrag van € 18.658,84 nabetaald aan appellant.
Besluitvorming zaken 25/546 en 25/547
1.7.
Met een besluit van 31 juli 2023 heeft het college de indicatie voor beschermd wonen met een jaar verlengd (1 augustus 2023 tot en met 31 juli 2024). Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met een beslissing op bezwaar van 10 juli 2024 (bestreden besluit IV) heeft het college het besluit van 31 juli 2023 in zoverre herroepen dat het uurtarief voor begeleiding ‘sociaal netwerk’ in een aantal stappen wordt verhoogd tot uiteindelijk € 23,82. Het college heeft een bedrag van € 23.139,86 nabetaald aan appellant.
1.8.
Met een besluit van 11 juli 2024 heeft het college, in overeenstemming met de op zitting bij de rechtbank gemaakte afspraken, de indicatieduur verlengd tot en met 31 juli 2026, onder handhaving van de omvang van de maatwerkvoorziening. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met een beslissing op bezwaar van 25 oktober 2024 (bestreden besluit V), heeft het college het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Uitspraken van de rechtbank (23/1865, 24/3886 en 24/5054)
2.1.
De rechtbank heeft – kort samengevat – geoordeeld dat het college de omvang van de maatwerkvoorziening terecht heeft vastgesteld op 56 uur per week. Het college heeft daarbij kunnen uitgaan van het advies van Factum. Ook is het college voor het bepalen van het uurtarief voor het inkopen van begeleiding bij ondersteuner op goede gronden uitgegaan van het tarief voor een persoon uit het sociaal netwerk. Ondersteuner is huisgenoot van appellant. Sinds 2009 biedt hij appellant onderdak en wonen zij samen. Verder heeft het college op goede gronden besloten de maatwerkvoorziening voor de duur van zestien maanden te verstrekken. Deze keuze van het college, met de motivering dat het de vinger aan de pols wil houden vanwege de omvang van de indicatie en het feit dat de ondersteuning bijna geheel bij één ondersteuner wordt ingekocht, vindt de rechtbank te billijken. Dat een kortdurende indicatie voor appellant vanwege de onderzoeksdruk te belastend zou zijn is onvoldoende onderbouwd.
2.2.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding voor appellant heeft de rechtbank afgewezen omdat niet met concrete en objectieve stukken is onderbouwd dat als gevolg van de onrechtmatige besluiten of de voorbereiding daarvan sprake is geweest van als aantasting van de persoon aan te merken geestelijk letsel. Medische stukken waaruit blijkt dat sprake is van de gestelde aanzienlijke psychische schade ontbreken.
2.3.
De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard ten aanzien van het verzoek om vergoeding van immateriële en materiële schade van de ondersteuners. Zij worden niet aangemerkt als belanghebbenden ingevolge artikel 1:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De besluiten zijn gericht aan appellant en hij koopt met het pgb ondersteuning in bij zijn ondersteuners, waardoor geen sprake is van een rechtstreeks belang van de ondersteuners bij die besluiten, maar alleen van een indirect belang via een contractuele relatie.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraken van de rechtbank niet eens. Onder verwijzing naar het advies van Factum heeft hij aangevoerd dat hij volledig afhankelijk is van zijn ondersteuner en dat het gaat om bijzondere, gespecialiseerde begeleiding die niet door een zorginstelling kan worden geleverd. Appellant wenst erkenning van de ondersteuner als gespecialiseerde hulp, met toepassing van het bijbehorende hogere uurtarief. Hij heeft verder aangevoerd dat het verstrekken van een indicatie met meer uren en voor langere tijd niet alleen recht doet aan zijn huidige situatie, maar vooral van belang is voor de toekomst, als de ondersteuner appellant niet langer kan begeleiden en een nieuwe ondersteuner moet worden gezocht. Appellant verwijst daarnaast naar lopende procedures bij de rechtbank over een door het college in 2025 aangekondigd Wmo-onderzoek. Appellant meent dat het college vooringenomen is.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college de maatwerkvoorziening beschermd wonen op goede gronden heeft verstrekt zoals het dat heeft gedaan. Daarnaast beoordeelt de Raad of de rechtbank het verzoek om (im)materiële schadevergoeding van appellant terecht heeft afgewezen en of de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard te oordelen over de verzoeken om schadevergoeding van de ondersteuners. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Voor de van toepassing zijnde wet- en regelgeving verwijst de Raad kortheidshalve naar de aangevallen uitspraken.
4.1.
Wat appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht is in essentie een herhaling van de in beroep aangevoerde gronden. In de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank deze gronden besproken en daarover een oordeel gegeven. De Raad verenigt zich met het oordeel over die beroepsgronden en onderschrijft de overwegingen waarop het berust. Dat geldt ook voor het oordeel van de rechtbank over de verzoeken om schadevergoeding. De Raad voegt daar het volgende aan toe.
Omvang en hoogte van het pgb tarief
4.2.
Dat, zoals appellant heeft aangevoerd, uit het advies van Factum blijkt dat de deskundigheid van de ondersteuner ruim voldoende wordt geacht en de begeleiding van appellant wordt beoordeeld als “veilig, doeltreffend en adequaat”, maakt niet dat het college gehouden zou zijn om in de voorliggende situatie voor de begeleiding door ondersteuner het (hogere) uurtarief voor persoonlijke begeleiding, uitgevoerd door anderen dan een persoon uit het sociaal netwerk, te hanteren. Van formele ondersteuning in de zin van de van toepassing zijnde verordening is geen sprake. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waarom het college in dit geval zou moeten afwijken van de bepalingen in de verordening over het te hanteren tarief.
De indicatieduur en een nieuw onderzoek
4.3.
De huidige indicatieduur loopt van 1 augustus 2023 tot en met 31 juli 2026. Het college heeft voor deze duur gekozen omdat sprake is van een kwetsbare situatie. Appellant is in feite volledig afhankelijk van zijn ondersteuner. Dit volgt ook uit het advies van Factum. Onder de omstandigheden van dit geval is een indicatieduur van – uiteindelijk – drie jaar zeker niet onredelijk kort. Appellant heeft ook niet met (medische) stukken aannemelijk gemaakt dat een nieuw onderzoek in verband met een nieuwe indicatie te belastend voor hem zou zijn. Verder bestaan er geen aanwijzingen dat bij de in geschil zijnde besluitvorming sprake zou zijn geweest van vooringenomenheid van het college. Het college heeft de besluitvorming gebaseerd op het onafhankelijke advies van Factum.
4.4.
Dat het belang in de visie van appellant ook is gelegen in de toekomst als begeleiding van ondersteuner niet langer mogelijk is, leidt niet tot een ander oordeel. Als de omstandigheden in de toekomst wijzigen moet een nieuwe aanvraag worden ingediend, die zal worden beoordeeld op grond van de situatie op dat moment.
4.5.
Het onderzoek dat door het college is aangekondigd in 2025, mede omdat de externe begeleiding van [naam 2] op dat moment was gestopt, valt buiten de omvang van dit geding, zodat de Raad daar niet over kan oordelen.
De verzoeken om schadevergoeding
4.6.
Voor de verzoeken om schadevergoeding sluit de Raad geheel aan bij het oordeel van de rechtbank en de overwegingen hierover in de aangevallen uitspraken.

Conclusie en gevolgen

4.7.
De hoger beroepen slagen dus niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraken worden bevestigd.
5. Omdat de hoger beroepen niet slagen krijgt appellant geen vergoeding voor het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum en de leden D. Hardonk-Prins en K.H. Sanders, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) F.M. Gerritsen

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Uitvoeringsregeling Wmo 2015
Artikel 2
b. hulp uit het sociale netwerk: natuurlijk persoon die maatschappelijke ondersteuning verleent die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen hem en de cliënt bestaande sociale relatie, tenzij die maatschappelijke ondersteuning beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend.
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2019
Artikel 1 Begripsbepalingen Pro
In deze verordening wordt verstaan onder
(…)
13. Informele ondersteuning: de ondersteuning verleend door een persoon die behoort tot het sociale netwerk of een niet daartoe opgeleid persoon;
(…)
23. Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de client een sociale relatie onderhoudt;
(…)
Artikel 13 Persoonsgebonden Pro budget - nadere voorwaarden
1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de cliënt:
a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet Pro 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet Pro 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
3. Informele hulp is:
a. Hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2;
b. Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar tot het sociaal netwerk van cliënt horen.

Voetnoten

1.Uitspraak van 16 augustus 2022, ECLI:NL:RBLIMB:2022:6272.