ECLI:NL:CRVB:2026:31

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/1617 WLZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz)

In deze zaak heeft appellante, geboren in 1970 en bekend met een autismespectrumstoornis en zwakbegaafdheid, hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) door het CIZ. De aanvraag werd afgewezen op basis van een besluit van 7 september 2023, dat werd gehandhaafd met een beslissing op bezwaar van 12 december 2023. Het CIZ stelde dat er geen noodzaak was voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel, en deze afwijzing was gebaseerd op medische adviezen van 1 september en 30 november 2023.

De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2025, waarbij appellante via videobellen aanwezig was, bijgestaan door haar advocaat mr. E. Schriemer. Namens het CIZ was mr. M. Bozdag aanwezig. De Raad heeft de argumenten van appellante in hoger beroep beoordeeld, waarbij zij aanvoerde dat haar zelfredzaamheid en zelfstandigheid fors zijn afgenomen en dat zij afhankelijk is van intensieve ondersteuning. Appellante stelde dat het medisch advies van het CIZ summier en inconsistent was en dat de rechtbank meer gewicht had moeten toekennen aan het zorgplan van Huttner Zorg.

De Raad heeft echter geconcludeerd dat appellante niet met medische stukken heeft onderbouwd dat zij is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en komt tot het oordeel dat het CIZ terecht de aanvraag heeft afgewezen. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, wat betekent dat de weigering van het CIZ om appellante te indiceren voor zorg op grond van de Wlz in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

Uitspraak

24/1617 WLZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 5 juli 2024, 24/115 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het CIZ
Datum uitspraak: 15 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om de vraag of appellante in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wlz. De Raad volgt de rechtbank in het oordeel dat bij appellante geen sprake is van een noodzaak tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel. Dit betekent dat het CIZ de aanvraag van appellante voor zorg op grond van de Wlz terecht heeft afgewezen.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Schriemer, advocaat, hoger beroep ingesteld. CIZ heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2025. Appellante, bijgestaan door mr. Schriemer, heeft via videobellen deelgenomen. Namens CIZ is mr. M. Bozdag verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren in 1970, is bekend met een autismespectrumstoornis en zwakbegaafdheid. Op 28 juni 2023 heeft appellante bij het CIZ een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz).
1.2.
Met een besluit van 7 september 2023, gehandhaafd met een beslissing op bezwaar van 12 december 2023 (bestreden besluit), heeft het CIZ de aanvraag afgewezen. Volgens het CIZ bestaat geen noodzaak tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid in de zin van artikel 3.2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wlz. Aan deze afwijzing liggen medische adviezen van 1 september 2023 en van 30 november 2023 ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. Het CIZ heeft de grondslagen psychische stoornis en somatische aandoening aangenomen. Volgens de rechtbank heeft het CIZ zich terecht op het standpunt gesteld dat de grondslag verstandelijke handicap niet kan worden vastgesteld. Ook heeft het CIZ zich, onder verwijzing naar het advies van zijn medisch adviseur, terecht op het standpunt gesteld dat bij appellante wel zorg en ondersteuning noodzakelijk is, maar dat er geen medische noodzaak bestaat tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel als bedoeld in de Wlz. Appellante heeft geen medische informatie ingediend waaruit blijkt dat haar medische situatie na 2020 is gewijzigd en dat haar benodigde zorg niet langer planbaar is of dat zij niet meer in staat kan worden geacht om te kunnen alarmeren. Op basis van de beschikbare medische informatie kan de noodzaak van 24 uur per dag zorg in de nabijheid niet worden geobjectiveerd.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat haar zelfredzaamheid en zelfstandigheid fors zijn afgenomen en zij door haar beperkingen afhankelijk is van intensieve ondersteuning. Uit het zorgplan van Huttner Zorg, die de aanvraag heeft ingediend, van 23 maart 2023 blijkt dat het risico groot is dat appellante in paniek raakt en het overzicht verliest. Zij kan zelf geen hulp inroepen en er kunnen gevaarlijke situaties ontstaan. Het medisch advies van CIZ is summier en niet consistent en de rechtbank had dan ook meer gewicht moeten toekennen aan het zorgplan van Huttner Zorg.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit van het CIZ om de aanvraag van appellante voor 24 uur zorg in de nabijheid op grond van de Wlz af te wijzen, in stand heeft gelaten. De Raad doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het CIZ de aanvraag van appellante terecht heeft afgewezen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Hieraan wordt het volgende toegevoegd.
4.2.
Ook in hoger beroep heeft appellante niet met medische stukken onderbouwd dat zij is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid om ernstig nadeel voor haarzelf te voorkomen. Uit wat appellante heeft aangevoerd blijkt niet dat zij niet in staat is om op relevante momenten zelf adequaat om hulp te vragen en deze af te wachten. Ter zitting heeft appellante verklaard dat zij, als zij een paniekaanval heeft, mensen gaat bellen die zij kent. Appellante kan dus hulp inroepen. Er is verder niet gebleken dat er een reëel risico bestaat dat appellante ernstig nadeel zou overkomen. Daarom komt de Raad, evenals de rechtbank, tot het oordeel dat het CIZ zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat op basis van de beschikbare medische informatie de noodzaak van 24 uur per dag zorg in de nabijheid niet kan worden geobjectiveerd.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van het CIZ om appellante te indiceren voor zorg op grond van de Wlz in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.

(getekend) K.H. Sanders

(getekend) C.K. Teunissen