ECLI:NL:CRVB:2026:31
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz)
In deze zaak heeft appellante, geboren in 1970 en bekend met een autismespectrumstoornis en zwakbegaafdheid, hoger beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar aanvraag voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) door het CIZ. De aanvraag werd afgewezen op basis van een besluit van 7 september 2023, dat werd gehandhaafd met een beslissing op bezwaar van 12 december 2023. Het CIZ stelde dat er geen noodzaak was voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid ter voorkoming van ernstig nadeel, en deze afwijzing was gebaseerd op medische adviezen van 1 september en 30 november 2023.
De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2025, waarbij appellante via videobellen aanwezig was, bijgestaan door haar advocaat mr. E. Schriemer. Namens het CIZ was mr. M. Bozdag aanwezig. De Raad heeft de argumenten van appellante in hoger beroep beoordeeld, waarbij zij aanvoerde dat haar zelfredzaamheid en zelfstandigheid fors zijn afgenomen en dat zij afhankelijk is van intensieve ondersteuning. Appellante stelde dat het medisch advies van het CIZ summier en inconsistent was en dat de rechtbank meer gewicht had moeten toekennen aan het zorgplan van Huttner Zorg.
De Raad heeft echter geconcludeerd dat appellante niet met medische stukken heeft onderbouwd dat zij is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en komt tot het oordeel dat het CIZ terecht de aanvraag heeft afgewezen. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, wat betekent dat de weigering van het CIZ om appellante te indiceren voor zorg op grond van de Wlz in stand blijft. Appellante krijgt geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.