ECLI:NL:CRVB:2026:307

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
24/1843 JW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep zonder tegemoetkoming

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin het college van burgemeester en wethouders van Den Haag was veroordeeld tot het nemen van nieuwe beslissingen op bezwaar over jeugdhulpvoorzieningen. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het college een nadere beslissing genomen waarbij aan appellant een bedrag van €40.150,81 is toegekend voor jeugdhulp.

Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van appellant medegedeeld dat de gronden van het hoger beroep niet langer worden gehandhaafd en heeft appellant het hoger beroep ingetrokken. Tegelijkertijd verzocht appellant om het college te veroordelen in de proceskosten.

De Raad stelt vast dat het hoger beroep niet is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen, maar omdat het college uitvoering gaf aan de eerdere uitspraak. Daarom is geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt dan ook afgewezen.

De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 12 maart 2026, waarbij de voorzitter en leden het verzoek hebben afgewezen en de griffier aanwezig was.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat het hoger beroep niet is ingetrokken wegens tegemoetkoming door het bestuursorgaan.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1843 JW, 24/1844 JW
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 juni 2024, 20/2987, 21/1327 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Datum uitspraak: 12 maart 2026
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens appellant heeft mr. R.M. Noorlander, advocaat, zich als gemachtigde gesteld en gronden ingediend.
Het college heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak de beslissing op bezwaar van 6 februari 2025, aangevuld op 24 maart 2025 (nader besluit), genomen.
Het college heeft een verweerschrift en stukken ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 18 december 2025 gelijktijdig met het hoger beroep van [naam 1] (in de zaken met de nummers 24/1838 en 24/1839) en van [naam 2] (in de zaken met de nummers 24/1840, 24/1845, 24/1846 en 25/2536). Voor appellant is mr. Noorlander verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Mauricio de Oliveira.
Appellant heeft het hoger beroep ter zitting ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb [1] bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de beslissingen op bezwaar van 2 maart 2020 en van 7 januari 2021 gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en het college opdracht gegeven om nieuwe beslissingen op bezwaar te nemen over de benodigde voorzieningen voor jeugdhulp met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat) en het college veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ook heeft de rechtbank het college en de Staat veroordeeld in de proceskosten van appellant en het college opgedragen het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.
3. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.
4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college op 6 februari 2025 het nadere besluit genomen. In dit besluit heeft het college aan appellant jeugdhulp toegekend voor een bedrag van € 40.150,81. Dit bedrag, samen met eerder toegekende bedragen voor jeugdhulp, stelt appellant in staat om alle aan het college bekendgemaakte nota’s te voldoen.
5. Ter zitting heeft gemachtigde namens appellant medegedeeld dat hij de gronden tegen de aangevallen uitspraak niet langer handhaaft en het hoger beroep intrekt.
6. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van appellant niet is ingetrokken als gevolg van een gewijzigde beslissing op bezwaar waarbij geheel of gedeeltelijk aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Het college heeft met het nadere besluit uitvoering gegeven aan de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep stond hier los van. Het verzoek om een proceskostenveroordeling dient dan ook te worden afgewezen, omdat geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.C.A. Bruggeman als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van F.M. Gerritsen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
(getekend) C.W.C.A Bruggeman
(getekend) F.M. Gerritsen

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.