ECLI:NL:CRVB:2026:30

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/1645 BABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart op basis van medisch advies

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 15 januari 2026 uitspraak gedaan over de afwijzing van een aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart door het college van burgemeester en wethouders van Beesel. De appellant, die in 1960 is geboren en verschillende aandoeningen en pijnklachten heeft, had eerder een gehandicaptenparkeerkaart ontvangen op basis van een medisch advies van Argonaut. Na een nieuwe aanvraag op 23 juli 2020, heeft het college deze aanvraag op 3 februari 2021 afgewezen, met als argument dat de appellant zich zonder hulp met gebruikelijke loophulpmiddelen redelijkerwijs over een langere afstand kan voortbewegen. De rechtbank Roermond heeft in een tussenuitspraak van 7 maart 2023 geoordeeld dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Het college heeft echter in een nadere motivering en advies van Argonaut van 25 september 2023 het gebrek hersteld. De rechtbank heeft het beroep van de appellant gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De Raad heeft in hoger beroep de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij werd geoordeeld dat de appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd die de afwijzing van de aanvraag konden ondermijnen. De Raad heeft geconcludeerd dat het college terecht de aanvraag voor de gehandicaptenparkeerkaart heeft afgewezen, en dat er geen aanleiding was om een deskundige te benoemen. De uitspraak bevestigt dat het recht op de gehandicaptenparkeerkaart is komen te vervallen na de verstrijking van de eerdere beschikking.

Uitspraak

Datum uitspraak: 15 januari 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 5 juni 2024, 21/2820 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Beesel (college)
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de vraag of het college de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart voor een bestuurder terecht heeft afgewezen. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. De Raad volgt het oordeel van de rechtbank dat het college deze weigering mocht baseren op het medisch advies dat in beroep is ingediend. Dat appellant eerder een gehandicaptenparkeerkaart heeft gehad, betekent niet dat het college aannemelijk moet maken dat de loopbeperking is afgenomen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Tajjiou, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 november 2025. Voor appellant is mr. Tajjiou verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Wijnen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1960, heeft verschillende aandoeningen en pijnklachten. Het college heeft aan appellant op grond van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer een gehandicaptenparkeerkaart (type bestuurder) verstrekt voor de duur van een jaar. Dit besluit was gebaseerd op een medisch advies van Argonaut. Op 23 juli 2020 heeft appellant opnieuw een gehandicaptenparkeerkaart aangevraagd.
1.2.
Het college heeft de aanvraag met een besluit van 3 februari 2021 afgewezen. Het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing heeft het college met een besluit van 7 september 2021 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
1.3.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant zich, zonder hulp van een ander, met de gebruikelijke loophulpmiddelen, redelijkerwijs over een langere afstand dan honderd meter aaneengesloten kan voortbewegen en daarom niet in aanmerking komt voor een gehandicaptenparkeerkaart. Het college heeft zich daarbij gebaseerd op de medische adviezen van Argonaut van 13 oktober 2020 en 12 april 2021.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
In een tussenuitspraak van 7 maart 2023 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de reumatische aandoening van appellant daadwerkelijk bij de beoordeling van het loopvermogen is meegewogen. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. [1]
2.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat met het advies van Argonaut van 25 september 2023 en de nadere motivering van het college in de brief van 10 oktober 2023, het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld en dat de beroepsgronden van appellant niet slagen. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten omdat het college de gehandicaptenparkeerkaart mocht weigeren. Dat appellant eerder een gehandicaptenparkeerkaart heeft gehad, betekent niet dat de bewijslast bij het college ligt en het college aannemelijk moet maken dat appellant minder loopbeperkingen heeft. Ook levert het rapport van Argonaut van 16 juli 2019 geen contrabewijs op ten opzichte van het nieuwe advies van 25 september 2023.
2.3.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat uit het advies van Argonaut van 25 september 2023 blijkt dat de arts alle medische stukken die in de tussenuitspraak zijn vermeld, heeft meegewogen in zijn advies. Daarnaast blijkt uit het advies dat de zorgvuldigheidshalve bij de reumatoloog opgevraagde nadere informatie is meegewogen. Deze informatie bevestigt een aandoening op reumatologisch gebied. De beroepsgrond dat het oordeel van de arts niet consistent is slaagt niet. De beroepsgrond dat de liesbreuk niet is meegewogen slaagt evenmin. Aan appellant is meermaals gevraagd of er relevante medische informatie ontbreekt en hij heeft geen nadere medische stukken in geding gebracht. Als de liesbreuk door de arts niet in zijn beoordeling is betrokken, komt dat dan ook voor rekening en risico van appellant.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant ervaart dat de gehandicaptenparkeerkaart van hem is afgepakt en doet een beroep op het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel. In 2019 is door een arts van Argonaut een loopbeperking vastgesteld waarvoor een gehandicaptenparkeerkaart is verstrekt. Sindsdien zijn de beperkingen alleen maar toegenomen. Zolang de artsen van Argonaut niet hebben gemotiveerd dat zijn beperkingen zijn afgenomen, heeft hij recht op een gehandicaptenparkeerkaart. De formulering in het advies van 25 september 2023 vindt appellant nog steeds niet consistent. Ook ontbreekt een onderzoek naar de gevolgen van zijn liesbreuken voor het lopen. Appellant verzoekt de Raad om een onafhankelijk deskundige te benoemen die rekening houdt met het geheel van zijn klachten.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijke nieuwe of andere gronden naar voren gebracht en zich grotendeels beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak besproken en gemotiveerd waarom deze gronden niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit berust en verwijst daarnaar. Hier wordt het volgende aan toegevoegd.
4.2.
Dat het voor appellant voelt alsof zijn gehandicaptenparkeerkaart is “afgepakt” kan de Raad begrijpen. Maar, anders dan appellant heeft gesteld, is er in zijn geval geen sprake van het intrekken van een begunstigende beschikking. Met het eerdere besluit heeft het college voor de periode van een jaar een gehandicaptenparkeerkaart verstrekt en met het verstrijken van die periode is het recht op deze kaart komen te vervallen. Vervolgens heeft appellant een nieuwe aanvraag gedaan en heeft het college opnieuw onderzoek verricht. Aan het eerdere, in tijd begrensde besluit, kon appellant niet het vertrouwen ontlenen dat aan hem opnieuw een gehandicaptenparkeerkaart zou worden verstrekt, temeer niet nu in het advies van Argonaut dat ten grondslag lag aan het eerdere besluit onder meer staat: “Indicatie voor een jaar en dan medische informatie opvragen als er niets aan is veranderd. Op dit moment voordeel van twijfel.”. Evenals de rechtbank maakt de Raad daaruit op dat de adviserend arts destijds niet heeft uitgesloten dat het loopvermogen kan verbeteren. Er zijn daarnaast geen aanwijzingen dat door het college toezeggingen zijn gedaan of het vertrouwen is gewekt dat de gehandicaptenparkeerkaart weer zou worden verstrekt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel slaagt niet.
4.3.
Appellant heeft in hoger beroep geen (medische) gegevens ingediend waardoor getwijfeld moet worden aan de juistheid van het advies van Argonaut van 25 september 2023. De adviserend arts heeft op een inzichtelijke wijze, op grond van eigen onderzoek, de medische gegevens ten tijde van de aanvraag en aanvullende informatie van de neuroloog, een advies opgesteld. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het gebrek in het bestreden besluit is hersteld en dat het college de gehandicaptenparkeerkaart mocht weigeren.
4.4.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de Raad geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het college terecht de aanvraag voor een gehandicaptenparkeerkaart heeft afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.H. Sanders in tegenwoordigheid van C.K. Teunissen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.

(getekend) K.H. Sanders

(getekend) C.K. Teunissen

Voetnoten

1.Tussenuitspraak van de rechtbank van 7 maart 2023, ECLI:NL:RBLIM:2023:1693.