ECLI:NL:CRVB:2026:296

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
13 maart 2026
Zaaknummer
20/2363 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongewijzigde voortzetting WIA-uitkering ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid

Betrokkene, die sinds 2015 arbeidsongeschikt is vanwege psychische klachten en niet-aangeboren hersenletsel, kreeg een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van circa 37,5%. Na een verslechtering van zijn gezondheid stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 35-45% en besloot de uitkering ongewijzigd voort te zetten. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het medisch onderzoek onvoldoende was, met name vanwege onvoldoende aandacht voor niet-aangeboren hersenletsel, en gaf het UWV opdracht een nieuw besluit te nemen met een lagere belastbaarheid.

Het UWV ging in hoger beroep en schakelde een onafhankelijke verzekeringsarts in die uitgebreid onderzoek deed, inclusief huisbezoek en overleg met de behandelend psychiater en neuroloog. Deze deskundige concludeerde dat de beperkingen en urenbelastbaarheid van vier uur per dag en twintig uur per week medisch verantwoord zijn. Betrokkene betwistte dit, maar de Raad vond de deskundigenrapporten zorgvuldig en overtuigend gemotiveerd.

De Raad vernietigde de eerdere uitspraak voor zover die het UWV opdroeg een nieuw besluit te nemen, bevestigde de rest van de uitspraak en verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit van het UWV ongegrond. De WIA-uitkering wordt dus ongewijzigd voortgezet. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WIA-uitkering terecht ongewijzigd heeft voortgezet met een arbeidsongeschiktheid van 41,28%.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
20/2363 WIA en 25/2177 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 mei 2020, 19/818 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 11 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de WIA-uitkering van betrokkene ongewijzigd heeft voortgezet. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv onvoldoende is geweest en niet kan worden gevolgd. Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. De Raad heeft een deskundige verzekeringsarts ingeschakeld, die de conclusies van het Uwv heeft onderschreven. De Raad volgt de deskundige en komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt.

PROCESVERLOOP

Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 maart 2022. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel. Betrokkene is verschenen, met getuige psychiater M.A.M. Boerma.
De Raad heeft het onderzoek heropend en drs. F.M. Brouwer, verzekeringsarts, als deskundige benoemd. De deskundige heeft op 30 juni 2023 een rapport uitgebracht.
Partijen hebben zienswijzen ingediend, waarop de deskundige met een nader rapport van 25 april 2024 heeft gereageerd. Betrokkene heeft daarop gereageerd. Bij brief van 2 september 2024 heeft de deskundige een nadere reactie gegeven.
Namens betrokkene heeft mr. F. Reith, advocaat, zich als gemachtigde gesteld en nadere gronden ingediend. Het Uwv heeft een reactie ingediend. Op verzoek van de Raad heeft de deskundige nogmaals bij brief van 5 mei 2025 een nadere reactie gegeven.
Partijen hebben vervolgens nog nadere stukken en reacties ingediend. Betrokkene heeft laten weten zich niet meer te laten bijstaan door mr. Reith.
Op 2 september 2025 heeft het Uwv een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Betrokkene heeft zijn reactie op deze gewijzigde beslissing gegeven en heeft een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter nadere zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2026. het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door zijn begeleidster [naam].

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene heeft voor het laatst gewerkt als buffetmedewerker voor gemiddeld 30,44 uur per week. Op 12 januari 2015 heeft hij zich ziekgemeld vanwege psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan betrokkene met ingang van 9 januari 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 37,57%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv aan betrokkene met ingang van 24 februari 2018 een WGAvervolguitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%, toegekend.
1.2.
Op 5 december 2017 heeft betrokkene aan het Uwv doorgegeven dat zijn gezondheidssituatie is verslechterd. Naar aanleiding hiervan heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft betrokkene gezien op een spreekuur op 16 februari 2018 en informatie opgevraagd bij de behandelend psychiater van betrokkene, M.A.M. Boerma. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat betrokkene bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 april 2018, geldig vanaf 16 februari 2018. Op deze FML zijn met name beperkingen aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en is betrokkene beperkt geacht voor werken in de avond en nacht en is een urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week opgenomen. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat betrokkene niet geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor betrokkene functies geselecteerd en een mate van arbeidsongeschiktheid berekend van 41,12%.
1.3.
Bij besluit van 27 juni 2018 heef het Uwv vastgesteld dat betrokkene vanaf 6 juni 2018 minder arbeidsgeschikt is dan voorheen, maar dat zijn WIA-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet.
1.4.
Bij besluit van 14 januari 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 januari 2019 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van eveneens 10 januari 2019 ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aanleiding gezien de FML aan te scherpen op persoonlijk en sociaal functioneren door aanvullende beperkingen aan te nemen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat betrokkene ondanks de gewijzigde FML van 10 januari 2019 in staat is de eerder geselecteerde functies te verrichten.
Uitspraak van de rechtbank
2. Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat in de FML van 10 januari 2019 weliswaar rekening is gehouden met de beperkingen van betrokkene en een urenbelastbaarheid van twintig uur is aangenomen, maar niet is toegelicht waarom dit voldoende zou zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv nader had moeten ingaan op de aanwezigheid van niet-aangeboren hersenletsel van betrokkene. De brieven van de behandelend psychiater bevatten duidelijke aanwijzingen voor hersenletsel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de aanwezigheid daarvan aangemerkt als onzeker en verder buiten beschouwing gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep ofwel de aanwezigheid van hersenletsel en de gevolgen daarvan nader had moeten onderzoeken ofwel had moeten uitleggen waarom dit irrelevant is voor de geclaimde beperkingen. De rechtbank heeft het Uwv in de tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld dit zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek te herstellen.
2.1.
Het Uwv heeft van de geboden gelegenheid het gebrek te herstellen gebruik gemaakt. Daartoe heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep nadere medische informatie opgevraagd bij psychiater Boerma en de afdeling Neurologie van het VUMC en een rapport van 6 februari 2020 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingediend.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het gebrek in het bestreden besluit onvoldoende is hersteld. In zijn rapport van 6 februari 2020 lijkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep de aanwezigheid van niet-aangeboren hersenletsel niet meer te betwisten en heeft hij gewezen op bijkomende psychiatrische problematiek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen reden gezien voor een verminderde urenbelastbaarheid dan vier uur per dag en twintig uur per week indien passend, prikkelarm werk wordt gevonden. De rechtbank is hiervan niet overtuigd. Het standpunt dat betrokkene niet overprikkeld zal raken als het werk voldoende prikkelarm is, berust volgens de rechtbank op een cirkelredering. Dit zegt niets over de vraag welke prikkels betrokkene aankan, terwijl betrokkene volgens zijn huisarts uit zijn evenwicht wordt gebracht door korte contacten met de buitenwereld. Ook de verwijzing door de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar de werkervaring van betrokkene is onvoldoende, want door dat werk is betrokkene juist ziek uitgevallen. Het behaalde havodiploma vindt de rechtbank te algemeen en te lang geleden om conclusies aan te verbinden. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daarbij het Uwv opgedragen uit te gaan van een belastbaarheid van hoogstens drie uur per dag en hoogstens zes uur per week, zoals betrokkene zelf heeft gesteld.
Het standpunt van het Uwv
3.1.
Het Uwv is het met de einduitspraak van de rechtbank niet eens en heeft het volgende aangevoerd. Volgens het Uwv is geen sprake van een cirkelredenering. Als aan de vereisten van passend werk (stress- en prikkelarm, rustig en overzichtelijk, geen intensieve sociale contacten) wordt voldaan dan kan betrokkene gedurende vier uur per dag en twintig uur per week werken. Het oordeel van de rechtbank dat betrokkene drie uur per dag en zes uur in de week belastbaar is, is in strijd met de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft het Uwv verwezen naar een rapport van 14 september 2020 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Het standpunt van betrokkene
3.2.
Betrokkene heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Inschakelen deskundige
4.1.
Omdat twijfel is ontstaan over de juistheid van de vastgestelde beperkingen en met name de urenbelastbaarheid van betrokkene heeft de Raad aanleiding gezien om verzekeringsarts drs. F.M. Brouwer als deskundige te benoemen. De deskundige heeft betrokkene middels een beeldbelspreekuur gesproken. Ook heeft de deskundige informatie ingewonnen bij psychiater Boerma en een neuroloog.
4.2
In zijn rapport van 30 juni 2023 heeft de deskundige geconcludeerd dat bij betrokkene op de datum in geding (6 juni 2018) sprake was van niet aangeboren hersenletsel, autistiforme trekken, persoonlijkheidsproblematiek Cluster B en een depressieve stoornis, recidiverende episode, matig. De deskundige heeft geen medisch inhoudelijke/verzekeringsgeneeskundige argumenten gezien om de FML van 10 januari 2019 aan te passen. Rekening houdend met de beperkingen op de FML zal het theoretisch geduide werk duidelijk ander werk zijn dan het laatst verrichte feitelijke werk van buffetmedewerker, wat als vrij intensief, onrustig en dus bovenmatig belastend kan worden beschouwd. Daarin werd immers geen rekening gehouden met de verdere beperkingen die in de FML worden aangenomen. Betrokkene wordt volgens de deskundige in staat geacht om op de datum in geding te werken gedurende vier uur per dag en twintig uur per week, met inachtneming van de andere beperkingen (rustige, voorspelbare werksituatie etc.) zoals weergegeven in de FML.
4.3
Omdat betrokkene in reactie op het rapport heeft laten weten het niet eens te zijn met het beeldbelspreekuur heeft de deskundige betrokkene op een fysiek spreekuur middels een huisbezoek gezien. In zijn nadere rapport van 25 april 2024 heeft de deskundige zijn standpunt nader toegelicht en zijn conclusie gehandhaafd dat de FML van 10 januari 2019, geldig per 6 juni 2018, correct is. Daarbij heeft hij opgemerkt dat gezien de aard van de medisch objectiveerbare aandoeningen en de ernst van de uitingen van de aandoeningen van betrokkene de urenbeperking van vier uur per dag en twintig uur per week een zeer forse beperking is. Dat betrokkene zelf vindt dat hij (vrijwel) helemaal niets kan doen is verzekeringsgeneeskundig geen grond om een forsere beperking in arbeidstijden aan te nemen. De deskundige heeft bij brieven van 2 september 2024 en 5 mei 2025 gereageerd op de zienswijze van betrokkene. De deskundige heeft onder meer nog opgemerkt dat betrokkene beperkt is geacht voor (over-)prikkeling, wat in de FML is opgenomen bij de beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, dat alle brieven van psychiater Boerma bij hem bekend waren en zijn betrokken, dat de diagnostiek voldoende duidelijk is en dat de deskundige zo veel mogelijk heeft gestreefd naar objectiveerbaarheid en reproduceerbaar mogelijke wegingen, waarbij de subjectieve klachten van betrokkene van belang zijn maar niet alles bepalend.
4.4.
Betrokkene heeft in reactie op het rapport van de deskundige onder meer naar voren gebracht dat de deskundige zich in zijn onderzoek te weinig heeft gericht naar zijn situatie ten tijde in geding en dat hij de Standaard Duurbelasting in arbeid te strikt heeft opgevat. De klachten van betrokkene zijn al jaren hetzelfde en zijn niet, zoals de deskundige heeft aangenomen, na de datum in geding toegenomen. In 2018 had betrokkene wegens vermoeidheid en snel overprikkeld raken al veel hersteltijd nodig en was zijn situatie al zeer ernstig. De deskundige heeft onvoldoende gemotiveerd waarom betrokkene in staat wordt geacht om vier uur per dag en twintig uur per week te werken. Betrokkene herkent zich niet in de bevindingen van de deskundige en meent dat de deskundige vooringenomen was. Er is volgens hem sprake van een onrealistische en onjuiste medische beoordeling door de deskundige, waarbij de deskundige heeft aangestuurd op een voor het Uwv gunstige uitkomst. Ook zijn de woorden van zijn behandelend psychiater uit hun verband getrokken. In dit verband heeft betrokkene verwezen naar een brief van zijn psychiater van 16 januari 2026.
4.5.
Het Uwv heeft op 2 september 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit 2). Hierin heeft het Uwv geen uitvoering gegeven aan de in de aangevallen uitspraak gegeven opdracht, maar de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd naar 41,28% en daarbij besloten dat de WGA-vervolguitkering onveranderd wordt uitbetaald naar 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid en de resterende verdiencapaciteit onveranderd € 874,61 per maand bedraagt. Aan dit besluit ligt een rapport van 12 mei 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag, waarin het maatmanloon van betrokkene per 16 februari 2018 is vastgesteld op € 11,24 per uur, waardoor de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene is gewijzigd naar 41,28%.
4.6.
Betrokkene is het niet eens met bestreden besluit 2.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak alsmede bestreden besluit 2 aan de hand van wat partijen hebben aangevoerd. In dit geding gaat het om de vraag naar de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op 6 juni 2018, de datum in geding.
5.1.
Omdat het Uwv met bestreden besluit 2 niet volledig tegemoet is gekomen aan de bezwaren van betrokkene, wordt dit besluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in de procedure betrokken.
5.2.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Medische beoordeling
5.3.
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, waarbij betrokkene twee keer uitgebreid is onderzocht en alle beschikbare medische informatie, met name de informatie van de psychiater, uitdrukkelijk is betrokken. De brief van de psychiater van 16 januari 2026 bevat geen nieuwe medische informatie. Dat bij de deskundige sprake zou zijn geweest van enige vooringenomenheid dan wel sturen op een bepaalde uitkomst heeft de deskundige uitdrukkelijk ontkend en daarvoor heeft de Raad ook geen aanknopingspunten gevonden. De conclusies van de deskundige zijn inzichtelijk en consistent.
5.4.
Op de reacties van betrokkene op de rapporten van 13 juni 2024 en 25 april 2024 is de deskundige inzichtelijk en overtuigend ingegaan en heeft uitgebreid toegelicht waarom er geen aanleiding is om zijn conclusies bij te stellen. Met de FML van 10 januari 2019 is voldoende rekening gehouden met de psychische klachten van betrokkene, gezien de vele en forse beperkingen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, en voldoet de urenbeperking aan de energetische klachten van betrokkene, zowel wat betreft zijn energiehuishouding als preventief. Van een te strikte interpretatie van de Standaard Duurbelasting in arbeid door de deskundige, zoals betrokkene heeft gesteld, is niet gebleken. De Raad concludeert dan ook dat geen aanknopingspunten bestaan om niet uit te gaan van de juistheid van deze FML.
Arbeidskundige beoordeling
5.5.
Wat betrokkene heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor de conclusie dat de door het Uwv geselecteerde functies in medisch opzicht voor hem niet geschikt zijn en dat het maatmanloon, de mate van arbeidsongeschiktheid en de restverdiencapaciteit (alsmede de inkomenseis) onjuist zouden zijn vastgesteld.

Conclusie en gevolgen

5.6.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, voor zover de rechtbank het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. De aangevallen uitspraak zal voor het overige worden bevestigd, omdat het Uwv in hoger beroep een gewijzigde beslissing op bezwaar heeft genomen. De Raad zal het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaren. Dat betekent dat het Uwv de WIA-uitkering van betrokkene per 6 juni 2018 terecht ongewijzigd heeft voortgezet.
6. Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden voor verleende rechtsbijstand begroot op € 934,- (1 punt voor een aanvullend hoger beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,-). Verder wordt bepaald dat van het Uwv een griffierecht van € 532,- wordt geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarin het Uwv heeft opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 2 september 2025 ongegrond;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van betrokkene ten bedrage van € 934,-
  • bepaalt dat van het Uwv een griffierecht van € 532,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van J. Bonnema als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) J. Bonnema