ECLI:NL:CRVB:2026:276

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
25/963 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1a:11 WajongArtikel 1a:11, eerste lid, WajongArtikel 1a:11, tweede lid, WajongArtikel 1a:11, vierde lid, Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugwerkende kracht Wajong-uitkering na aanvraagdatum

Appellante, die sinds 2006 arbeidsongeschikt is, diende op 29 maart 2023 een aanvraag in voor een Wajong-uitkering. Het Uwv kende deze uitkering toe met ingang van die datum, maar weigerde terugwerkende kracht toe te kennen. Appellante stelde dat zij al in 2014 een aanvraag had ingediend en dat zij vanwege haar ernstige psychiatrische beperkingen niet eerder in staat was een aanvraag te doen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat er geen bewijs was voor een eerdere aanvraag of dat het Uwv destijds had moeten onderkennen dat appellante recht had op een Wajong-uitkering. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en benadrukte dat het recht op uitkering op aanvraag wordt vastgesteld en niet eerder kan ontstaan dan de datum van die aanvraag, tenzij sprake is van kennelijke hardheid.

De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende had onderbouwd dat zij niet eerder een aanvraag kon indienen en dat er geen aanwijzingen waren dat het Uwv ambtshalve eerder had moeten toekennen. Het hoger beroep werd verworpen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: De Wajong-uitkering is terecht toegekend per 29 maart 2023 zonder terugwerkende kracht en het hoger beroep wordt verworpen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/963 WAJONG
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 9 april 2025, 24/100 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [plaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 11 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht aan appellante met ingang van 29 maart 2023 (de dag dat de aanvraag is ontvangen) (duurzaam) een Wajong-uitkering heeft toegekend. Volgens appellante had zij al eerder recht op een Wajong-uitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht de Wajonguitkering per 29 maart 2023 heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om vergoeding van immateriële schade gedaan. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een nadere reactie ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 28 januari 2026. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante, geboren op [geboortedatum] 1975, heeft voor het laatst gewerkt als thuishulp A voor 15 uur per week. Op 13 september 2006 heeft zij zich ziekgemeld met psychische klachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellante met ingang van 10 september 2008 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 100%. Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 10 december 2009 in aanmerking gebracht voor een WGA-loonaanvullingsuitkering, waarbij appellante onverminderd volledig arbeidsongeschikt is geacht.
1.2.
In verband met een herbeoordeling heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. Deze hebben geconcludeerd dat appellante volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 28 februari 2014 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 14 februari 2014 een WIA-uitkering op grond van de IVA toegekend.
1.3.
Appellante heeft met een door het Uwv op 29 maart 2023 ontvangen formulier een aanvraag ingediend voor een (aanvullende) uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Daarbij is vermeld dat appellante klachten heeft als gevolg van Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD) met een gegeneraliseerde angststoornis en depressies en Premenstrueel Dysforisch Syndroom (PMDD). Bij de aanvraag is informatie gevoegd van appellantes huisarts. Het Uwv heeft vervolgens een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht, waarna geconcludeerd is dat er geen of onvoldoende gegevens zijn die kunnen leiden tot een oordeel over appellantes arbeidsongeschiktheid op 18-jarige leeftijd of tijdens studie. Daarom is het Uwv ervan uitgegaan dat appellante arbeidsvermogen heeft. Met een besluit van 29 juni 2023 heeft het Uwv vervolgens geweigerd appellante een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen.
1.4.
Bij besluit van 21 december 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. Hierin is geconcludeerd dat appellante op 18-jarige leeftijd duurzaam geen arbeidsvermogen heeft en zij daarom als jonggehandicapte wordt aangemerkt. Bij een aanvullend besluit van 21 december 2023 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 29 maart 2023 een Wajong-uitkering toegekend.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft geoordeeld dat van een eerdere aanvraag om een Wajonguitkering dan de aanvraag uit 2023 niet is gebleken. Wat appellante heeft gesteld over een telefonisch contact met het Uwv in 2014 over het eventueel doen van een aanvraag kan, voor zover al juist, appellante niet baten. Een zodanig contact kan immers niet gelijk worden gesteld met het daadwerkelijk doen van een aanvraag. Dit geldt evenzeer voor het voornemen daartoe. De stelling dat er nu sprake is van een zogenaamde herhaalde aanvraag (en daarmee van de toepasselijkheid van de criteria uit de oude Wajong) treft dan ook geen doel.
2.2.
Verder zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellante niet eerder dan op 29 maart 2023 in staat was om een aanvraag voor een Wajong-uitkering in te dienen. Niet gebleken is dat dat appellante dat niet zelf dan wel met behulp van derden (haar moeder of hulpverleners) had kunnen doen. De enkele verwijzing naar de psychische klachten van appellante is in dit verband onvoldoende. Voor toepassing van artikel 11 (lees: 1a:11), vierde lid, van de Wajong hoefde het Uwv dus geen aanleiding te zien.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens en heeft daar het volgende tegen aangevoerd.
3.1.
Appellante vindt dat zij recht heeft op een Wajong-uitkering vanaf haar achttiende levensjaar. Ten tijde van de IVA-beoordeling werd al vastgesteld dat zij duurzaam geen arbeidsvermogen had. Appellante heeft omstreeks 2014 een Wajong-uitkering aangevraagd. Er zijn in die periode contacten met het Uwv geweest over de Wajong-uitkering. Zelfs zijn destijds al formulieren ingevuld, maar niet ingediend. Appellante stelt dat zij destijds niet in staat was haar claim door te zetten. Appellante is ernstig beperkt op psychiatrische gronden, waardoor zij eigenlijk met niemand kan samenwerken en een groot wantrouwen heeft. Daardoor gaat er veel mis. In het kader van de discussie over haar aanvraag in 2023 is aan appellante ook telefonisch meegedeeld dat in haar dossier was te zien dat er een eerdere aanvraag was, althans dat er eerdere contacten zouden zijn geweest over een Wajongaanvraag. Het Uwv heeft dat niet nader onderzocht.
3.2.
Appellante beroept zich op de kennelijke hardheid in artikel 11 (lees: artikel 1a: 11), vierde lid, van de Wajong vanwege haar ernstige psychiatrische stoornis. Deze veroorzaakt bijzonder veel problemen in haar functioneren, zodanig ook dat zij op meso- en macroniveau eigenlijk niet kan functioneren. Appellante is onder meer beperkt in het omgaan met derden. Regelmatig is van hulpverlening ook sprake geweest, maar dat gaat steeds mis of dat gaat niet. Zelfs haar eigen moeder kan haar vaak niet helpen. Volgens de rechtbank is een verwijzing naar psychische klachten onvoldoende, maar in het dossier staan uitgebreide beschrijvingen van appellantes psychische klachten en juist ook haar onvermogen om met derden om te gaan. Het is dan niet onaannemelijk dat de Wajong-claim niet van de grond is gekomen. Appellante kan daar geen verwijt van gemaakt worden. Specifieke noodzakelijke hulp van derden was niet mogelijk, gezien haar ernstige situatie en alleen al blijkende uit het feit dat het niet is gelukt.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank het bestreden besluit over de toekenning van de Wajong-uitkering per 29 maart 2023 terecht in stand heeft gelaten. Dit doet de Raad aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Tussen partijen is in geschil of er aanleiding bestaat om aan appellante met een verdere terugwerkende kracht dan 29 maart 2023 (datum aanvraag) een Wajong-uitkering toe te kennen.
5.2.
Uit de tekst en wetgeschiedenis van artikel 1a:11 van de Wajong [1] volgt dat het recht op een Wajong-uitkering op aanvraag wordt vastgesteld en dat het recht op uitkering niet eerder dan op de aanvraagdatum kan ontstaan. In gevallen waarin het niet of te laat doen van een aanvraag zou leiden tot kennelijke hardheid geeft het vierde lid aan het Uwv de bevoegdheid het recht op uitkering in afwijking van het eerste lid ook ambtshalve (dus zonder aanvraag) vast te stellen en toe te kennen. Er kunnen zich blijkens de wetsgeschiedenis omstandigheden voordoen waarbij het doen van een aanvraag als voorwaarde om het recht op een Wajong-uitkering te kunnen vaststellen, leidt tot een kennelijke hardheid. Daarbij is door de wetgever bijvoorbeeld gedacht aan situaties waarin de jonggehandicapte niet in staat was een aanvraag in te dienen.
5.3.
Aangezien het vierde lid van artikel 1a:11 van de Wajong geen afwijking inhoudt van het tweede lid, is voor de ingangsdatum van de Wajong-uitkering het moment van aanvraag bepalend. Dit is alleen anders als op grond van het vierde lid een aanvraag niet vereist is. De ingangsdatum wordt in dat geval vastgesteld op het moment waarop het Uwv kennis heeft kunnen nemen van een situatie waarin mogelijk sprake is van een recht op Wajong-uitkering en de voorwaarde van het doen van een aanvraag (op dat moment) leidt tot een kennelijke hardheid. Hiervan zal bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als het niet aanvragen van de uitkering (al dan niet met behulp van derden) het gevolg is van de ziekte waaraan een betrokkene lijdt. Dit betekent dat het toekennen van een uitkering met terugwerkende kracht vóór datum aanvraag of vóór het moment waarop het Wajong-recht met toepassing van het vierde lid ambtshalve had moeten worden vastgesteld, niet mogelijk is. [2]
5.4.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van wat zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. De Raad voegt hier het volgende aan toe.
5.5.
Appellante heeft geen bewijs geleverd voor haar stelling dat zij in 2014 een aanvraag voor een Wajong-uitkering bij het Uwv heeft ingediend. Voor zover appellante meent dat het Uwv bij (telefoon)contacten in 2014 had moeten onderkennen dat zij (ook) recht had op een Wajong-uitkering, wordt zij evenmin gevolgd in dit standpunt, omdat niet is gebleken dat destijds, toen ook een herbeoordeling voor de WIA speelde, daadwerkelijk (ook) is gesproken over (het doen van) een Wajong-aanvraag. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv toegelicht dat in het systeem van het Klantencontactcentrum is teruggekeken tot in het jaar 2011 naar telefoongesprekken met appellante en dat daaruit niet is gebleken dat over de Wajong is gesproken.
5.6.
Voorts heeft appellante op geen enkele manier onderbouwd dat zij als gevolg van haar ziektebeeld niet in staat was eerder een Wajong-aanvraag in te dienen. Ook ten tijde van de WIA-herbeoordeling in 2014 waren daar geen aanwijzingen voor, bijvoorbeeld in het rapport van de verzekeringsarts van 14 februari 2014. Dat appellante door haar beperkingen niet (goed) met anderen kan samenwerken en daardoor hulpverlening vaak misgaat, doet daar niet aan af. Van andere omstandigheden, op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de voorwaarde van het doen van een aanvraag in het geval appellant zou leiden tot kennelijke hardheid, is de Raad niet gebleken. De situatie van artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong doet zich in het geval van appellante niet voor.
5.7.
Het Uwv heeft daarom de Wajong-uitkering terecht niet eerder dan per 29 maart 2023 (datum aanvraag) toegekend.

Conclusie en gevolgen

5.8.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de toekenning van de Wajong-uitkering met ingang van 29 maart 2023 in stand blijft. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek om schadevergoding afgewezen.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van D. Semiz als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.

(getekend) F.M. Rijnbeek

(getekend) D. Semiz

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 1a:11, eerste lid, van de Wajong
1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelt op aanvraag vast of recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk bestaat.
Artikel 1a:11, tweede lid, van de Wajong
Het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van dit hoofdstuk ontstaat op de dag waarop de aanvraag, bedoeld in dit artikel, werd ingediend, met dien verstande dat dit recht niet eerder kan ontstaan dan de dag waarop de betrokkene achttien jaar wordt.
Artikel 1a:11, vierde lid, van de Wajong
Indien de toepassing van het eerste lid zou leiden tot kennelijke hardheid, is het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen bevoegd het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering ambtshalve toe te kennen.

Voetnoten

1.Memorie van Toelichting op de Invoeringswet werken naar vermogen (Kamerstukken II, 2011/2012, 33 161, nr. 3, p. 96).
2.CRvB 1 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1060.