ECLI:NL:CRVB:2026:261

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
24/2300 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bijstand wegens betrokkenheid bij hennepkwekerij en schending inlichtingenplicht

Appellant ontvangt sinds december 2021 bijstand. Na een politieonderzoek op 18 januari 2022 werd een hennepkwekerij aangetroffen in zijn woning, waarbij appellant als enige aanwezig was. De stiefzoon meldde dat appellant een maand eerder een wietplantage op zolder had. Het dagelijks bestuur trok de bijstand per 13 december 2021 in wegens schending van de inlichtingenplicht en betrokkenheid bij hennepteelt.

Appellant diende meerdere aanvragen om bijstand in, waarvan enkele werden afgewezen of buiten behandeling gesteld vanwege het niet aanleveren van gevraagde stukken en onduidelijkheden over zijn financiële situatie. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking en afwijzingen ongegrond, behalve voor een bezwaarprocedure die deels werd vernietigd.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere standpunten, waaronder dat hij niet betrokken was bij hennepteelt en dat hem onvoldoende gelegenheid was geboden om inlichtingen te verschaffen. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden had aangevoerd en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd afgewezen en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De intrekking van bijstand per 13 december 2021 en de afwijzing van latere aanvragen worden bevestigd; het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2300 PW, 24/2301 PW en 24/2302 PW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 september 2024, 23/1943, 23/2518 en 23/3582 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het Dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke sociale dienst Brunssum Onderbanken Landgraaf (dagelijks bestuur)
Datum uitspraak: 3 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om een intrekking van bijstand op de grond dat appellant betrokken is geweest bij de exploitatie van een hennepkwekerij en hij in verband daarmee op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Het gaat in deze zaak verder om afwijzingen van aanvragen om bijstand. Appellant is het niet eens met de ingangsdatum van de intrekking en stelt dat hij niet betrokken was bij hennepteelt. Appellant is het ook niet eens met de afwijzingen van de aanvragen om bijstand, omdat hij meent dat hij wel voldoet aan de voorwaarden om voor bijstand in aanmerking te komen. De Raad geeft appellant geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Tajjiou, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft appellant met een brief van 5 december 2026 (regiebrief) laten weten hoe de Raad het geschil voorshands ziet, appellant vragen gesteld en hem in de gelegenheid gesteld zijn gronden (nader) te onderbouwen. De Raad heeft in de regiebrief ook opgenomen dat als appellant niet reageert, de Raad geen vragen heeft en de zaak zonder zitting afgedaan kan worden. De Raad heeft daarbij gewezen op het recht om ter zitting te worden gehoord. Appellant heeft op de regiebrief niet gereageerd.
De Raad heeft daarna het dagelijks bestuur toestemming gevraagd zonder zitting uitspraak te kunnen doen en daarbij gewezen op het recht om ter zitting te worden gehoord. Het dagelijks bestuur heeft die toestemming verleend. Daarom heeft de Raad deze zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 13 december 2021 bijstand op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Het dagelijks bestuur heeft van de politie eenheid Limburg op 31 januari 2022 een rapport ontvangen, waaruit blijkt dat de politie op 18 januari 2022 op de zolder in een woning in X (woning) een ingerichte maar niet in werking zijnde hennepkwekerij heeft aangetroffen. Ten tijde van de binnentreding was appellant als enige persoon in de woning aanwezig. In dit rapport staat ook dat uit onderzoek van de politie is gebleken dat er recent was geoogst en in de woning 600 hennepplanten hebben gestaan. In de woning werden 12,55 kg aan hennepresten en henneptoppen en apparatuur gericht op het in werking houden van een kwekerij aangetroffen. Uit het rapport volgt verder dat de stiefzoon van appellant op 15 januari 2022 bij de politie heeft gemeld dat hij een maand geleden heeft gezien dat zijn stiefvader een wietplantage op zolder had. Hij heeft daarbij het adres van de woning verstrekt. Naar aanleiding van dit rapport is het dagelijks bestuur een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft het dagelijks bestuur bij appellant stukken opgevraagd en appellant op 24 maart 2022 gehoord. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 21 april 2022.
1.2.
Met een besluit van 21 april 2022 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant met ingang van 13 december 2021 ingetrokken. Aan dit besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat hij activiteiten heeft verricht, gericht op het exploiteren van een professionele hennepkwekerij. Omdat hij geen inzicht heeft gegeven in de aard en omvang van die activiteiten, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
1.3.
Op 1 juni 2022 heeft appellant bijstand aangevraagd (aanvraag 1), met als gewenste ingangsdatum 14 mei 2022. Het dagelijks bestuur heeft appellant verzocht om voor 13 juni 2022 verschillende stukken in te leveren. Appellant heeft de gevraagde stukken niet ingeleverd. Met een besluit van 5 juli 2022 heeft het dagelijks bestuur om die reden de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling gesteld.
1.4.
Op 1 september 2022 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand gedaan (aanvraag 2). Het dagelijks bestuur heeft appellant ook naar aanleiding van deze aanvraag verzocht om verschillende stukken over te leggen. Appellant heeft vervolgens een aantal stukken ingeleverd. Appellant is daarna uitgenodigd voor een gesprek, met het verzoek om naar dit gesprek verschillende stukken mee te nemen. Het gesprek heeft plaatsgevonden op 22 september 2022. Aansluitend aan dit gesprek is in de woning van appellant een huisbezoek afgelegd. Met een besluit van 29 september 2022 heeft het dagelijks bestuur aanvraag 2 afgewezen. Aan dit besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant niet duidelijk heeft gemaakt welke personen er gebruik kunnen maken van zijn woning, daar spullen en documenten zijn aangetroffen die niet kunnen worden toegeschreven aan appellant, hij niet kan aangeven van wie hij welke spullen heeft gekregen. Ook is niet duidelijk hoe appellant heeft voorzien in zijn levensonderhoud. Verder zijn er materialen aangetroffen die worden gebruikt voor hennepteelt. Op grond van het voorgaande is de woon-, leef- en financiële situatie van appellant onduidelijk gebleven en kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
1.5.
Met een besluit van 10 juli 2023 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur de bezwaren tegen de besluiten van 21 april 2022, van 5 juli 2022 en van 29 september 2022 ongegrond verklaard.
1.6.
Op 25 mei 2023 heeft appellant opnieuw een aanvraag om bijstand ingediend (aanvraag 3), met als gewenste ingangsdatum 25 september 2022. Het dagelijks bestuur heeft appellant naar aanleiding van deze aanvraag gevraagd om stukken in te dienen. Met een besluit van 16 juni 2023 heeft het dagelijks bestuur aanvraag 3 afgewezen op de grond dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat hij de gevraagde stukken niet heeft overgelegd. Met een besluit van 31 augustus 2023 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 16 juni 2023 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellant geen procesbelang meer heeft, omdat hij sinds 24 juni 2023 weer bijstand ontvangt. Die bijstand had het dagelijks bestuur met een besluit van 10 juli 2023 toegekend, na een aanvraag van 24 juni 2023 (aanvraag 4) met als gewenste ingangsdatum 1 september 2022. Met datzelfde besluit van 10 juli 2023 had het dagelijks bestuur de aanvraag om bijstand met terugwerkende kracht tot 1 september 2022 afgewezen op de grond dat daarvoor geen bijzondere omstandigheden zijn. Met een besluit van 17 oktober 2023 (bestreden besluit 3) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van bijstand met terugwerkende kracht ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 3 ongegrond verklaard en daarmee die besluiten in stand gelaten. De rechtbank heeft verder het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, bestreden besluit 2 vernietigd en het bezwaar tegen het besluit van 16 juni 2023 ongegrond verklaard voor zover het de periode van 25 september 2022 tot 25 mei 2023 betreft en het dagelijks bestuur opdracht gegeven om opnieuw te beslissen op dat bezwaar voor zover het de periode van 25 mei 2023 tot 24 juni 2023 betreft. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, samengevat het volgende overwogen.
2.1.
Anders dan appellant heeft betoogd zijn er voldoende aanwijzingen dat hij betrokken is geweest bij hennepteelt. Zo heeft appellant in de maanden september en oktober 2021 in de woning gewoond. Appellant was tijdens de ontmanteling als enige persoon in de woning aanwezig en hij heeft daarvoor geen plausibele verklaring gegeven. Ook ter zitting heeft appellant niet duidelijk kunnen maken hoe het kan dat hij nog toegang had tot deze woning, terwijl hij die woning niet meer huurde. Verder heeft de stiefzoon van appellant telefonisch bij de politie gemeld dat hij heeft gezien dat zijn stiefvader betrokken was bij hennepteelt op de zolder van de woning. Het dagelijks bestuur heeft voor de datum van de intrekking terecht aansluiting gezocht bij 13 december 2021, de datum met ingang waarvan aan appellant bijstand is toegekend, omdat uit het rapport van de politie volgt dat er ten tijde van de ontmanteling van de hennepkwekerij op 18 januari 2022 net was geoogst en een hennepkwekerij een groeicyclus van acht tot tien weken heeft. De datum komt ook overeen met de melding van de stiefzoon op 15 januari 2022 dat hij de hennepkwekerij een maand geleden heeft gezien op de zolder van de woning. Door van de betrokkenheid bij hennepteelt geen melding te maken heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het dagelijks bestuur was daarom gehouden de bijstand met ingang van 13 december 2021 in te trekken. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is in zoverre ongegrond.
2.2.
Over het bestreden besluit 1, voor zover dat ziet op de aanvragen 1 en 2, heeft de rechtbank het volgende overwogen. Vaststaat dat appellant de naar aanleiding van aanvraag 1 opgevraagde stukken niet heeft ingeleverd. Door deze stukken niet te verstrekken, had het dagelijks bestuur onvoldoende gegevens om de aanvraag goed te kunnen beoordelen. Het dagelijks bestuur heeft om die reden aanvraag 1 terecht buiten behandeling gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het dagelijks bestuur aanvraag 2 terecht afgewezen, omdat de financiële situatie van appellant onduidelijk is gebleven. Appellant heeft onvoldoende duidelijkheid gegeven over op zijn bankafschriften zichtbare betalingen tot grote bedragen aan derden en ook niet over de wijze waarop hij voorafgaand aan de aanvraag in zijn levensonderhoud heeft voorzien. De stelling van appellant dat hij aan de omstandigheid dat een medewerker van het dagelijks bestuur na de hoorzitting in bezwaar bij hem nog bankafschriften vanaf augustus 2022 heeft opgevraagd het vertrouwen mocht ontlenen dat als hij die bankafschriften zou verstrekken aan hem bijstand zou worden toegekend en eventuele onduidelijkheden in de periode voor de aanvraag hem niet zouden worden tegengeworpen, slaagt niet. Met het dagelijks bestuur is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van een toezegging dat aan appellant met ingang van 1 september 2022 bijstand zou worden toegekend. Het beroep tegen bestreden besluit 1 is ook in zoverre ongegrond.
2.3.
Met betrekking tot aanvraag 4 (bestreden besluit 3) heeft de rechtbank overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op basis waarvan aan appellant met terugwerkende kracht per 1 september 2022 bijstand moet worden toegekend.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens voor zover de rechtbank daarbij het beroep tegen bestreden besluiten 1 en 3 ongegrond heeft verklaard. Ter onderbouwing heeft hij verwezen naar wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Appellant heeft daarbij gewezen op wat hij heeft aangevoerd over zijn betrokkenheid bij de hennepkwekerij en de ingangsdatum van de intrekking. Verder heeft appellant aangevoerd dat ‘de nieuwe aanvraag’ ten onrechte is afgewezen, omdat hem onvoldoende gelegenheid zou zijn geboden inlichtingen te verschaffen. Appellant meent dat hij wel voldoet aan de voorwaarden om voor bijstand in aanmerking te komen. Appellant heeft verder aangevoerd dat zijn beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte is afgewezen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht de bestreden besluiten 1 en 3 tot intrekking van bijstand, de buiten behandelingstelling van aanvraag 1 en de afwijzing van de aanvragen 2 en 4 in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft, ondanks het uitdrukkelijke verzoek daartoe in de regiebrief, geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank voor zover aangevochten en in de overwegingen zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel berust.

Conclusie en gevolgen

4.2.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat intrekking van de bijstand per 13 december 2021, de buiten behandelingstelling van aanvraag 1 en de afwijzing van aanvragen 2 en 4 in stand blijven.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls