Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over haar Ziektewet-uitkering. Het UWV nam vervolgens een gewijzigde beslissing op bezwaar en besloot de uitkering per 28 augustus 2021 voort te zetten. Hierop trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen tot vergoeding van proceskosten en schade, waaronder wettelijke rente over de na te betalen uitkering.
De Raad stelde vast dat het hoger beroep was ingetrokken omdat het bestuursorgaan aan appellante was tegemoetgekomen, zoals bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het UWV werd daarom veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs had moeten maken, begroot op €3.200,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €136,-.
Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering, conform de berekeningswijze zoals vastgesteld in een eerdere uitspraak van de Raad uit 2012. De zaak werd zonder zitting behandeld omdat partijen geen zitting wensten. De uitspraak werd gedaan door rechter F.M. Rijnbeek op 5 maart 2026.