Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant over de voortzetting van haar Ziektewetuitkering. Het UWV nam op 26 november 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar en besloot de uitkering per 28 augustus 2021 voort te zetten. Hierop trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente over de na te betalen uitkering.
De Raad stelde vast dat het hoger beroep was ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel aan appellante tegemoet was gekomen, zoals bedoeld in artikel 8:75a Awb. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten die appellante redelijkerwijs had moeten maken, begroot op €3.200,-, en tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Tevens werd het UWV verplicht het betaalde griffierecht van €136,- te vergoeden.
De Raad behandelde de zaak zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten. De uitspraak werd gedaan op 5 maart 2026 door F.M. Rijnbeek, in aanwezigheid van griffier M.G.J. van Eck.