ECLI:NL:CRVB:2026:255

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
24/2008 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam als verkoopmedewerker, meldde zich ziek na een scooterongeval met fysieke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medische en arbeidskundige rapporten vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de WIA-uitkering toe te kennen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige onderschreef. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij verdergaand beperkt was, onder meer voor fijne motoriek en belastbaarheid bij staan en lopen, en dat de geselecteerde functies niet geschikt waren.

De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende en overtuigend waren, dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren binnen de belastbaarheid van appellant. De Raad bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

24/2008 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
24/2008 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 juli 2024, 23/2358 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 5 maart 2026
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K. Aslan, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2025. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Aslan. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.
Het onderzoek is heropend na de zitting en de Raad heeft vragen gesteld aan het Uwv.
Het Uwv heeft nadere stukken ingediend en daarop heeft appellant gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1.1.
Appellant, die werkzaam was als verkoopmedewerker voor gemiddeld 37,93 uur per week, heeft zich op 15 maart 2021 ziekgemeld na een scooterongeval op 12 maart 2023. Daarbij heeft appellant zijn pols gebroken en was sprake van voet- en enkelklachten. Daarna ontstonden psychische klachten.
1.2.
In het kader van een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van 23 december 2022 heeft appellant het spreekuur bezocht van een Uwv-arts. Deze arts heeft in zijn rapport van 8 maart 2023 vastgesteld dat appellant licht beperkt is voor dynamische handelingen en statische houdingen. Hij heeft de beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 8 maart 2023. Een arbeidsdeskundige heeft op 16 maart 2023 vastgesteld dat appellant ongeschikt is voor zijn laatst verrichte werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens vier functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 0%.
1.3.
Bij besluit van 16 maart 2023 heeft het Uwv geweigerd aan appellant per 13 maart 2023 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.4.
Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 september 2023 ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen ten grondslag rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 september 2023 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 september 2023.
1.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beperkingen van appellant aangescherpt
in een FML van 1 september 2023. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep twee van de eerder geselecteerde functies laten vervallen, opnieuw drie functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 24,44%. Deze arbeidsdeskundige heeft de functies van Textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) (SBC-code 111160), Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten (SBC-code 111180) en Medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 111010) geselecteerd. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat en waarom deze functies voor appellant geschikt zijn met inachtneming van de verminderde functionaliteit van de rechterhand.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.2.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens de rechtbank inzichtelijk en uitgebreid gerapporteerd. Niet gebleken is dat hij een onjuist beeld heeft gehad van de klachten van appellant en de daarmee samenhangende arbeidsbeperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat de meest recente informatie van de chirurg dr. P.F.W. Hanneman van 21 maart 2023 meer ziet op de datum in geding, zijnde 13 maart 2023, dan de bevindingen van de primaire arts door wie appellant op 24 januari 2023 is onderzocht. In de informatie van chirurg dr. Hanneman worden het door appellant beschreven krachtverlies en de verminderde handfunctie rechts geobjectiveerd. Daarom heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer beperkingen aangenomen dan de primaire arts voor tillen en dragen rechts en voor knijp-/grijpkracht rechts bij hand- en vingergebruik. Ook zijn meer beperkingen opgenomen voor lopen en staan tijdens het werk. Voor de mentale problematiek zijn beperkingen aangenomen in de rubrieken 1. Persoonlijk functioneren en 2. Sociaal functioneren. In lijn hiermee heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 1 september 2023 een nieuwe FML opgesteld. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deugdelijk gemotiveerd dat er in voldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellant.
2.3.
Over het standpunt van appellant dat de informatie van de GZ-psycholoog van 15 november 2023 en de waarschijnlijkheidsdiagnose PTSS moeten leiden tot het aannemen van meer beperkingen, heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van deze informatie kennis heeft genomen en heeft toegelicht dat deze informatie geen aanleiding geeft om het ingenomen standpunt te wijzigen. Met een mogelijke posttraumatische achtergrond van de mentale klachten is volgens de verzekeringsarts al rekening gehouden in de FML van 1 september 2023. De rechtbank heeft de verzekeringsarts gevolgd in zijn conclusies zoals verwoord in zijn rapporten van 1 september 2023 en 23 april 2024.
2.4.
Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 5 september 2023 blijkt dat hij heeft overlegd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Met het Uwv heeft de rechtbank vastgesteld dat appellant in de FML van 1 september 2023 niet beperkt is geacht op de items fijnmotorische hand-/vingerbewegingen, tastzin en afleiding door anderen. De arbeidsdeskundige kan daarover volgens de rechtbank dus niet oordelen.
2.5.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft – blijkens het verweerschrift – nader gemotiveerd dat en waarom de functie Medewerker tuinbouw past binnen de belastbaarheid van appellant. Deze uiteenzetting heeft de rechtbank gevolgd. Met de arbeidskundige rapportage van 5 september 2023, gelezen in samenhang met de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de gegevens uit het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), heeft het Uwv volgens de rechtbank ook verder in voldoende mate uitgelegd dat en waarom de geselecteerde functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellant.
De procedure in hoger beroep
3.1.
In hoger beroep heeft appellant – onder verwijzing naar de Basisinformatie CBBS – aangevoerd dat hij verdergaand beperkt is. Volgens appellant is hij door zijn handklachten ook beperkt voor fijne motoriek bij hand- en vingergebruik (4.7) en tastzin (4.5), wat is vereist in de geselecteerde functies. Verder heeft appellant aangevoerd dat de geselecteerde functie van Textielproductenmaker niet geschikt is omdat hij niet tegen lawaai (van machines) en drukte (langslopende collega’s) kan. Ook is de functie Medewerker tuinbouw niet geschikt omdat daarin de belastbaarheid van lopen en staan wordt overschreden (1 uur lopen en 5 uur staan). Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is lopen en staan beperkt tot 4 uur per dag (verdeeld over de dag).
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. De geselecteerde functies zijn geschikt omdat appellant niet beperkt is voor afleiding door anderen, fijnmotorische hand-/vingerbewegingen en tastzin. Verder is gelet op de definitie en de toelichting in de Basisinformatie CBBS de invulling van het item hand- en vingergebruik (4.3) in de FML van 1 september 2023 door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, waarbij is vermeld dat de knijp-/grijpkracht rechts beperkt is, in overeenstemming met de medische bevindingen. De functie Medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) is wel geschikt voor appellant omdat hij licht beperkt is voor staan tijdens het werk, tot maximaal 4 uur per dag en omdat geen beperking is aangenomen voor afwisseling van houding.
3.3.
In zijn rapport van 17 maart 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat appellant niet beperkt is qua fijne motoriek en tastzin. Hij heeft benadrukt dat sprake is van een status na polsfractuur en niet van een aandoening aan de vingers. De gevoelszin en de beweging/functie van de vingers zijn intact en er zijn alleen functionele beperkingen in de pols. In zijn rapport van 17 maart 2023 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd dat en waarom hij zijn eerdere standpunt handhaaft.
3.4.
Nadat de zaak ter zitting is behandeld en is heropend, heeft het Uwv een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 mei 2025 ingestuurd. Deze arbeidsdeskundige heeft aangegeven wat de procentuele verdeling is in de drie taken van de geselecteerde functies van Medewerker tuinbouw, bij welke taken daadwerkelijk gebruik kan worden gemaakt van een hoge zitstoel en in welke mate kan worden gestaan. In reactie daarop heeft appellant aangevoerd dat het Uwv telkens van standpunt wisselt over de procentuele verdeling in de taken en de feitelijke uren van staan in de functie van Medewerker tuinbouw en dat hij geen vertrouwen meer heeft in de juistheid van de mededelingen die het Uwv hierover doet. Verder kan volgens appellant van rouleren van de zitstoel geen sprake zijn.

Het oordeel van de Raad

4.1.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA met ingang van 13 maart 2023 terecht heeft vastgesteld op minder dan 35%.
4.2.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is grotendeels een herhaling van de gronden die hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft die gronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken. Het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
Hand- en vingergebruik
4.3.
Met het rapport van 17 maart 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende en overtuigend onderbouwd dat appellant niet verdergaand beperkt is voor hand- en vingergebruik dan is vastgesteld in de FML van 1 september 2023. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overwogen dat appellant niet beperkt is qua fijne motoriek en tastzin. Er is sprake van een status na een polsfractuur en niet van een aandoening aan de vingers. Daarvoor heeft hij verwezen naar informatie van arts Heelkunde H.M.J. Janzing en arts-assistent [naam] van 12 maart 2021, die hebben vastgesteld dat de sensibiliteit van alle vingers en aan alle zijden van de vingers van de rechterhand intact is. Dit past volgens hem ook bij de informatie van traumachirurg dr. J.A. ten Bosch van het Maastricht UMC van 30 juni 2021, waarin wordt aangegeven dat de pols neuro-vasculair intact is. Dat betekent dat zowel de vaten als de zenuwen intact zijn. Op het moment dat de zenuwen intact zijn, is ook de gevoelszin niet gestoord. Verder blijkt uit de aanwezige informatie dat sprake is van bewegingsbeperkingen van de pols maar niet van de vingers. In de genoemde informatie van het Maastricht UMC van 30 juni 2023 is letterlijk vermeld dat de functie van de vingers intact is. Verder werd door de primaire arts bij lichamelijk onderzoek alleen de verminderde knijpkracht geconstateerd. De functie van de vingergewrichten was normaal bij buigen en strekken en ook het spreiden en sluiten verliep normaal, waarbij appellant wel wat pijn in de pols aangaf bij spreiden. Spreiden is echter niet noodzakelijk bij het uitvoeren van fijnmotorische handelingen. Ook chirurg dr. Hanneman heeft op 21 maart 2023 alleen functionele beperkingen van de pols gemeld en geen melding gemaakt van functionele afwijkingen van de vingers. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar voren gebracht dat volgens de definitie van fijnmotorische handelingen daarbij ook wel de pols wordt ingezet. Dit is echter subtiel en minimaal en moet gezien de genoemde beperkingen zonder meer mogelijk zijn, met name ook omdat het toch primair beperkingen in de sturing van de vingers betreft bij het uitvoeren van subtiele manipulaties waarbij weinig krachtzetting noodzakelijk is (samenstellen gehoorapparaten of in de geselecteerde functies draad door naald, hanteren van kleine componenten bij plaatsen op printplaat en het verwijderen van een meeldraad). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 17 maart 2023 voldoende onderbouwd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant omdat hij niet beperkt is voor fijnmotorische hand/vingerbewegingen en tastzin.
Staan en lopen tijdens werk
4.4.
De Raad stelt vast dat in de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgestelde FML van 1 september 2023 onder aspect 5.4 Staan tijdens werk is vermeld dat dit licht beperkt is en dat appellant zo nodig gedurende de helft van de werkdag kan staan (ongeveer 4 uur). In de Toelichting is vermeld: ‘Lopen en staan maximaal 4 uur verdeeld over de dag’.
4.5.
In zijn rapport van 14 mei 2025 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onderbouwd en navolgbaar toegelicht dat en waarom de functies van Medewerker bloemzaadproductie met functienummers 0126.0000.001 en 0126.0000.010 uit SBC-code 111010 Medewerker tuinbouw voor appellant geschikt zijn.
4.6.
Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in de functies van Medewerker bloemzaadproductie sprake van 30% van de werktijd emasculeren (verwijderen van meeldraden) en 70% van de werktijd van bestuiven en plukken. Het eerdere percentage van 50 dat in het Resultaat functiebeoordeling van 23 september 2023 is vermeld, is niet juist. Verder heeft deze arbeidsdeskundige gemeld dat de taak Emasculeren alleen staand kan worden verricht. Dat betekent dat op een werkdag van 8 uur, 2,4 uur wordt gestaan om te emasculeren en dat daarnaast 16 minuten wordt gelopen. De Raad ziet geen reden om de conclusie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dat in de functies van Medewerker bloemzaadproductie de beperking voor Staan tijdens werk niet wordt overschreden, te verwerpen. Gelet op de gegeven toelichting, wordt door de Raad niet getwijfeld aan de juistheid daarvan.
4.7.
De Raad stelt vast dat bij de overige werkzaamheden van de functies van Medewerker bloemzaadproductie, zijnde de taken bestuiven en plukken, die volgens de toelichting in de FML van 1 september 2023 bestaan uit 70% van de werktijd, is vermeld dat deze taken zowel staand als zittend kunnen worden uitgevoerd en dat er een hoge zitstoel is, die onder de medewerkers – in onderling overleg – rouleert. Desgevraagd heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dit in zijn rapport van 14 mei 2025 bevestigd. De arbeidsdeskundige heeft overlegd met de arbeidsdeskundig analist die de betreffende functies heeft onderzocht en geanalyseerd. Deze analist heeft daarnaast aangegeven dat het mogelijk is dat er voor een medewerker met beperkingen voor staan een eigen hoge zitstoel ingezet kan worden op de werkplek en dat de werkplek hiertoe geschikt is. Het betreft een gangbare voorziening en ook vanuit goed werkgeverschap mag verwacht worden dat deze aan de werknemer ter beschikking wordt gesteld. Derhalve is rouleren van de hoge zitstoel voor appellant niet meer aan de orde en kan hij bij het uitvoeren van de taken bestuiven en plukken (70%) altijd gebruikmaken van de zitstoel.
4.8.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep wordt gevolgd in zijn oordeel dat in de functies van Medewerker bloemzaadproductie de in de FML van 1 september 2023 vastgestelde beperking voor appellant voor Staan tijdens werk, lopen en staan maximaal 4 uur verdeeld over de dag, niet wordt overschreden.

Conclusie en gevolgen

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van M.G.J. van Eck als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) M.G.J. van Eck