ECLI:NL:CRVB:2026:254
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep na gewijzigde beslissing UWV en proceskostenveroordeling
Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake de WIA. De Centrale Raad van Beroep oordeelde in een tussenuitspraak dat het UWV een onjuiste periode had gehanteerd bij de herziening en terugvordering, en dat deze opnieuw vastgesteld moest worden over de periode van 1 september 2015 tot en met 10 augustus 2020.
Naar aanleiding hiervan nam het UWV op 21 juli 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar die tegemoetkwam aan de bezwaren van appellant. Hierdoor trok appellant het hoger beroep in en verzocht de Raad het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV verzette zich hiertegen niet.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant, begroot op €3.736,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €186,-. Het onderzoek werd op een nadere zitting achterwege gelaten en de uitspraak werd op 5 maart 2026 gedaan.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht na intrekking van het hoger beroep wegens gewijzigde beslissing.