Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:252

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
24/98 WAD
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wet ambtenaren defensieArt. 39 AMARArt. 7:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag militair wegens bezit van meer dan gebruikershoeveelheid softdrugs in strijd met Defensiebeleid

Appellant, militair bij de Koninklijke Marine, werd op 3 februari 2021 ontslagen wegens wangedrag omdat hij meer dan de gebruikershoeveelheid softdrugs in bezit had, wat in strijd is met het drugsbeleid van Defensie. Dit was wettig en overtuigend bewezen door een strafrechterlijke uitspraak die in kracht van gewijsde was gegaan.

De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit gegrond vanwege een motiveringsgebrek over de evenredigheid van het ontslag, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit na nadere toelichting van de staatssecretaris. Zowel appellant als de staatssecretaris gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.

De Raad oordeelt dat het hoger beroep van appellant faalt omdat het vonnis van de strafrechter als dwingend bewijs geldt en het wangedrag appellant kan worden toegerekend. Het ontslag is in overeenstemming met het drugsbeleid dat hoge eisen stelt aan militairen. Het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris slaagt omdat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat het bestreden besluit onvoldoende was gemotiveerd.

De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond, waardoor het ontslag in stand blijft. Appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens bezit van meer dan de gebruikershoeveelheid softdrugs blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/98 WAD en 24/1122 WAD
Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 december 2023, 23/2851 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Staatssecretaris van Defensie (staatssecretaris)
Datum uitspraak: 4 maart 2026

SAMENVATTING

Appellant is ontslagen wegens wangedrag. Appellant wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het in bezit hebben van meer dan een gebruikershoeveelheid softdrugs. De Raad oordeelt dat het ontslag in stand kan blijven en dat de rechtbank ten onrechte een motiveringsgebrek heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P.K. Ruperti, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 21 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ruperti. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Van der Weijden.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van de hoger beroepen zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant was sinds [datum 1] 2012 aangesteld als militair bij het beroepspersoneel van de Koninklijke Marine, laatstelijk als marinier der eerste klasse.
1.2.
Op [datum 2] 2020 is appellant door de politie aangehouden in verband met het in bezit hebben van meer dan de gebruikershoeveelheid softdrugs.
1.3.
Nadat de staatssecretaris zijn voornemen daartoe bekend heeft gemaakt en appellant hierop zijn zienswijze heeft gegeven, heeft de staatssecretaris met het besluit van 3 februari 2021 aan appellant met ingang van 15 februari 2021 ontslag verleend wegens wangedrag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR [1] . Appellant is verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het in bezit hebben van meer dan de gebruikershoeveelheid softdrugs. Dat is in strijd met het drugsbeleid van Defensie (drugsbeleid). [2]
1.4.
Op 3 november 2021 heeft de militaire politierechter (politierechter) wettig en overtuigend bewezen geacht dat appellant op [datum 2] 2020 ongeveer 100 gram softdrugs in zijn bezit had en is appellant een straf opgelegd van een geldboete ten bedrage van € 200,-. Het hoger beroep tegen dit vonnis is niet-ontvankelijk verklaard.
1.5.
Met een besluit van 8 maart 2023 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 februari 2021 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de uitspraak van de politierechter dwingende bewijskracht heeft en daarom op grond van artikel 8 van Pro de WAD [3] geldt als bewijs van het feit. De rechtbank ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de staatssecretaris in strijd met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft vastgesteld dat appellant in het bezit was van de softdrugs. Volgens de rechtbank levert de verweten gedraging wangedrag op. Omdat in het bestreden besluit niet is gemotiveerd waarom het ontslag niet onevenredig is aan het verweten wangedrag, heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd. Nu de staatssecretaris met de op de zitting gegeven toelichting alsnog toereikend heeft gemotiveerd dat het ontslag niet onevenredig is, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van partijen
Appellant en de staatssecretaris zijn het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen hebben aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

3. De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank over het besluit tot ontslag wegens wangedrag juist is aan de hand van de argumenten die partijen in de hoger beroepen hebben aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris wel slaagt.
Hoger beroep van appellant
3.1.
Appellant heeft aangevoerd dat het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter niet-ontvankelijk is verklaard door een procedurele fout van zijn toenmalige advocaat. Aan appellant is daardoor de kans ontnomen om in hoger beroep in de strafzaak zijn onschuld te bewijzen. Daarom moet volgens hem in deze zaak rekening worden gehouden met zijn argumenten die zien op de verweten gedraging.
3.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant is bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis door de politierechter schuldig verklaard aan het in bezit hebben van een meer dan de gebruikershoeveelheid softdrugs. Op grond van artikel 8 van Pro de WAD geldt dat vonnis ook in deze zaak als bewijs van dat feit. Wat appellant daartegen heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Het handelen of nalaten van een advocaat komt voor rekening en risico van de betrokkene. Dat geldt ook indien deze, zoals door appellant is betoogd, een fout heeft gemaakt.
3.3.
Appellant heeft door het in het bezit hebben van meer dan de gebruikershoeveelheid softdrugs in strijd gehandeld met het drugsbeleid. De staatssecretaris heeft dit terecht aangemerkt als wangedrag in de zin van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR. Niet gebleken is van omstandigheden als gevolg waarvan het wangedrag appellant niet is toe te rekenen.
3.4.
Het ontslag is in overeenstemming met dit drugsbeleid. Dit beleid komt voort uit de noodzaak van Defensie om hoge eisen te stellen aan haar militairen. Gelet hierop geeft wat door appellant is aangevoerd over zijn goede staat van dienst en zijn (financiële) situatie, geen reden om het ontslag onevenredig te achten aan het gepleegde wangedrag. Het belang van de staatssecretaris weegt zwaarder dan het persoonlijk belang van appellant.
3.5.
Het hoger beroep slaagt niet.
Incidenteel hoger beroep
3.6.
De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Daartoe is aangevoerd dat er geen aanleiding bestond in het bestreden besluit te motiveren waarom het ontslag niet onevenredig was aan het verweten wangedrag, omdat dit al in het besluit van 3 februari 2021 was gemotiveerd en daartegen geen gronden in bezwaar zijn aangevoerd.
3.7.
Dit betoog slaagt. Uit artikel 7:11 van Pro de Awb [4] volgt dat de staatssecretaris bij de beslissing op bezwaar gehouden is tot een volledige heroverweging van het primaire besluit op grondslag van het daartegen gemaakte bezwaar. Nu in bezwaar geen gronden zijn gericht tegen de motivering van de evenredigheid van het ontslag, hoefde de staatssecretaris dit niet nogmaals te motiveren in het bestreden besluit.
3.8.
Het incidenteel hoger beroep slaagt.

Conclusie en gevolgen

3.9.
Het hoger beroep van appellant slaagt dus niet. Het incidenteel hoger beroep van de staatssecretaris slaagt wel. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat het ontslag in stand blijft.
4. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht
.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 8 maart 2023 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en K.H. Sanders en B. Serno als leden, in tegenwoordigheid van H. de Brabander als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) H. de Brabander

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 8 Wet Pro ambtenaren defensie luidt:
Een uitspraak van den strafrechter, in kracht van gewijsde gegaan, of ingevolge de Wet militair tuchtrecht in beroep gewezen, waarbij de militaire ambtenaar aan eenig feit is schuldig verklaard, geldt in een militaire ambtenarenzaak als bewijs van dat feit.
Artikel 39, aanhef en onder het tweede lid, onder l, van het Algemeen militair ambtenarenreglement luidt:
Aan de militair kan verder uitsluitend ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.
Artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt:
Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Voetnoten

1.Algemeen militair ambtenarenreglement.
2.Aanwijzing Secretaris-Generaal A/925 van 28 maart 2007.
3.Wet ambtenaren defensie.
4.Algemene wet bestuursrecht.