ECLI:NL:CRVB:2026:247

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
25/1085 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid

Appellant, voormalig fulltime logistiek teamleider, meldde zich ziek met klachten gerelateerd aan een bedrijfsongeval. Na onderzoek door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van het UWV werd vastgesteld dat appellant beperkingen heeft, maar minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het UWV weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen per 10 mei 2022.

Appellant voerde aan dat hij meer beperkingen heeft dan vastgesteld en dat hij de voorgehouden functies niet kan vervullen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig en de beoordeling juist was. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en wijst het hoger beroep af.

De Raad overwoog dat de medische en arbeidskundige rapporten, inclusief een aanvullend rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, geen aanleiding geven tot herziening van de vastgestelde belastbaarheid. Er is geen indicatie voor een urenbeperking of verdere beperkingen per datum in geding. De Raad ziet geen noodzaak tot het benoemen van een onafhankelijk deskundige en bevestigt het bestreden besluit.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
25/1085 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2025, 24/5938 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 4 maart 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 10 mei 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N.M. Fakiri, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak, gevoegd met zaaknummer 25/196, behandeld op een zitting van 21 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Fakiri. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof. Na de behandeling van de zitting zijn de zaken weer gesplitst. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als fulltime logistiek teamleider. Op 11 mei 2020 heeft hij zich ziekgemeld met klachten van hoofdpijn, paniekaanvallen en flashbacks in verband met een bedrijfsongeval
.Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 juni 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 26 juni 2023 geweigerd appellant met ingang van 10 mei 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
1.2.
Bij besluit van 28 mei 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep ziet aanleiding om de FML te wijzigen op het punt van geluidsbelasting en drukte. Dit hoort volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet in rubriek 3 van de FML aangegeven te worden, maar in rubriek 1. Appellant is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangewezen op werk waarbij hij niet of nauwelijks wordt afgeleid door activiteiten van anderen, waarbij het gaat om zowel auditieve als visuele prikkels. Deze wijzigingen zijn neergelegd in de aangepaste FML van 6 mei 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de derde geselecteerde functie laten vervallen en daarvoor een reservefunctie in de plaats gesteld. Dit heeft geen gevolgen voor de uitkomst van de schatting.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest en dat ook de inhoudelijke beoordeling door het Uwv juist is. De rechtbank heeft de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 6 mei 2024 gevolgd, dat er objectief medisch geen reden is om appellant als verdergaand beperkt te beschouwen. Er is in de FML voldoende rekening gehouden met de beperkingen van appellant, voortvloeiend uit ziekte of gebrek. Het Uwv heeft de beperking voor geluidsbelasting en drukte niet laten vervallen, maar deze ondergebracht in rubriek 1, omdat het bij appellant niet zozeer gaat om geluidsbelasting maar om afleiding door prikkels. Verder is de toelichting van het Uwv gevolgd, dat geen sprake is van een urenbeperking omdat niet aan de voorwaarden zoals beschreven in de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid is voldaan. Er is bij appellant geen indicatie voor een urenbeperking om energetische redenen of beperkte beschikbaarheid, of vanuit preventief oogpunt. De in beroep overgelegde rapporten van onafhankelijk verzekeringsarts drs. M. Nemutlu van 11 en 26 maart 2025 maken de beoordeling niet anders. Daarvan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgens de rechtbank met juistheid te kennen gegeven dat in de rapporten van Nemutlu niets wordt gezegd over de belastbaarheid van appellant op de datum in geding, 10 mei 2022. Verder heeft het Uwv er volgens de rechtbank terecht op gewezen dat niet klachten, maar beperkingen uitgangspunt zijn voor het vaststellen van de belastbaarheid. Uit een rapport van arts-assistent [naam] van 15 december 2021 blijkt van goede aandacht en concentratie, ondanks de aanwezigheid van klachten. De aanvullende beperkingen die Nemutlu noemt zijn niet goed onderbouwd. Deze blijken niet uit diens onderzoeksbevindingen. De aanvullende beperkingen lijken gebaseerd te zijn op gebeurtenissen na de datum in geding, zoals een depressieve stoornis die is ontwikkeld na een auto-ongeval dat in juni 2023 heeft plaatsgehad. Op grond hiervan gaat de rechtbank ervan uit dat de beperkingen in de FML van 6 mei 2024 juist zijn vastgesteld.
2.2.
Appellant heeft geen arbeidskundige gronden aangevoerd zodat de rechtbank, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde beperkingen, geen aanleiding ziet om te oordelen dat appellant niet in staat zou zijn de voorgehouden functies te vervullen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft de gronden van het beroep herhaald en acht het onjuist dat de rechtbank geen onafhankelijk deskundige heeft geraadpleegd, nu Nemutlu tot verdergaande beperkingen is gekomen. Een aanvullend rapport van Nemutlu van 9 januari 2026 is in geding gebracht. Appellant heeft de Raad verzocht om over te gaan tot benoeming van een onafhankelijk deskundige.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen en een aanvullend rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 januari 2026 in geding gebracht.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
5.2.
De rechtbank heeft de gronden van het beroep besproken en is op basis van goed navolgbare overwegingen tot de conclusie gekomen dat het beroep niet slaagt. De conclusie van de rechtbank en de overwegingen van de rechtbank die tot die conclusie hebben geleid worden volledig onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
5.3.
Appellant heeft in hoger beroep een nader rapport van Nemutlu van 9 januari 2026 in geding gebracht, waarin Nemutlu te kennen heeft gegeven wel degelijk de medische situatie rond de datum in geding te hebben beoordeeld. Verder heeft Nemutlu gewezen op de Richtlijn medisch arbeidsongeschiktheidscriterium (MAOC), op grond waarvan de belastbaarheid van gehele persoon in aanmerking dient te worden genomen. In de situatie van appellant is er volgens Nemutlu voldoende bewijs dat sprake is van een angststoornis en een beperkt dagverhaal per datum in geding. Een urenbeperking is daarom volgens Nemutlu op preventieve gronden aangewezen.
5.4.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft met haar zienswijze van 19 januari 2026 toegelicht dat de informatie van Nemutlu de beoordeling niet anders maakt. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep verwezen naar haar eerdere rapport van 25 maart 2025 en aandacht gevraagd voor het feit dat zowel bij eigen onderzoeken als bij onderzoeken door behandelaars, zoals de GGZ, blijkens de informatie van 15 december 2021, geen stoornissen in de aandacht en concentratie zijn waargenomen. Verder blijkt uit die brief van arts-assistent [naam] dat appellant slecht slaapt en dat er angstgevoelens zijn. Van een stoornis in de energiehuishouding is niet gebleken. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gewezen op een brief van de GGZ van 17 februari 2022 waarin melding is gemaakt van een mogelijk vermijdende copingstijl. De verzekeringsarts bezwaar en beroep komt tot de conclusie dat uit de beschikbare medische informatie niet blijkt dat de belastbaarheid per 22 mei 2022 onjuist is vastgesteld. De Raad oordeelt dat het Uwv hiermee op inzichtelijke wijze heeft gemotiveerd op grond waarvan de overgelegde medische informatie geen reden geeft de beoordeling door het Uwv te herzien. Deze toelichting wordt gevolgd.
5.5.
Omdat er geen aanleiding bestaat voor twijfel aan de vastgestelde belastbaarheid van appellant per datum in geding, ziet de Raad geen reden voor het raadplegen van een deskundige.
5.6.
Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat nu de medische beoordeling juist wordt geacht appellant ook in staat wordt geacht om de hem voorgehouden functies in medisch opzicht te vervullen.

Conclusie en gevolgen

5.7.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van C.M. Snellenberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.

(getekend) E.W. Akkerman

De griffier is verhinderd te ondertekenen.