ECLI:NL:CRVB:2026:244

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
23/2150 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:64 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na gewijzigde beslissing UWV

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV inzake een WIA-uitkering. Tijdens de procedure heeft het UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen die volledig tegemoetkomt aan de bezwaren van appellant, waardoor het geschil feitelijk is komen te vervallen.

De Raad heeft het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang. Wel is het UWV veroordeeld tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten, waaronder de kosten voor rechtsbijstand en reiskosten, alsmede het betaalde griffierecht.

Daarnaast is het verzoek om vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen uitkering toegewezen, met verwijzing naar een eerdere uitspraak van de Raad over de wijze van rente-berekening. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 4 maart 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente, proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
23/2150 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 7 juni 2023, 21/664 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 4 maart 2026

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y.J.K. van Nunen, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht om vergoeding van de door appellant geleden schade.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 mei 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Nunen. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
Na de zitting is het onderzoek heropend.
De Raad heeft psychiater dr. J.J.D. Tilanus als deskundige benoemd.
De deskundige heeft op 8 januari 2025 rapport uitgebracht. Appellant heeft een zienswijze ingediend.
Het Uwv heeft op 25 maart 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft hierop gereageerd.
Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Vervolgens heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Vastgesteld wordt dat het Uwv met de nieuwe beslissing op bezwaar van 25 maart 2025 alsnog volledig aan de bezwaren van appellant is tegemoetgekomen. Hierdoor bestaat er feitelijk geen geschil meer tussen partijen. Dat brengt mee dat, nu appellant het hoger beroep niet heeft ingetrokken, het hoger beroep van appellant door het ontbreken van een procesbelang niet-ontvankelijk wordt verklaard.
1.2.
Omdat het Uwv appellant na het instellen van beroep en hoger beroep tegemoet is gekomen, bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken. Zie hiervoor overweging 3.
Wettelijke rente
2. Het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012. [1]
Proceskosten
3.1.
Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de kosten voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 2.802,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een zienswijze na het verslag van het deskundigenonderzoek en 0,5 punt voor het indienen van de schriftelijke reactie van 31 maart 2025, met een waarde per punt van € 934,-) voor de aan appellant verleende rechtsbijstand. Daarnaast wordt aanleiding gezien het Uwv te veroordelen in de door appellant gemaakte reiskosten, in totaal € 33,80.
3.2.
In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding die het Uwv aan appellant moet betalen € 2.835,80.
3.3.
Ook moet het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- veroordeelt het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente als hiervoor vermeld;
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.835,80;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 136,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) S.P.A. Elzer

Voetnoten

1.CRvB 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.