ECLI:NL:CRVB:2026:207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als schoonmaakmedewerker, meldde zich ziek en vroeg een Ziektewetuitkering aan. Het UWV weigerde deze uitkering omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht en geschikt was voor vier van de vijf bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies.
De rechtbank oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat voldoende rekening was gehouden met de klachten en beperkingen van appellante, waaronder somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) en psychische klachten. De functies bleken passend bij haar belastbaarheid en medicatiegebruik.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen groter waren en dat onvoldoende rekening was gehouden met haar medicatie en psychische klachten. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet en bevestigde dat de medische beperkingen niet waren toegenomen ten opzichte van de WIA-beoordeling, waardoor de weigering van de ZW-uitkering terecht is.
De Raad vond geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige en wees het hoger beroep af. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam bleef daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.