ECLI:NL:CRVB:2026:2
Centrale Raad van Beroep
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 12 januari 2026 uitspraak gedaan over het verzet van de echtgenoot van appellante tegen de niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep. Het hoger beroep was eerder niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet was betaald. De echtgenoot van appellante heeft verzet aangetekend en aangevoerd dat hij gemachtigd was om het hoger beroep namens appellante af te handelen. Hij stelde dat belangrijke correspondentie ten onrechte naar appellante was gestuurd in plaats van naar hem als gemachtigde.
De Raad heeft het verzet behandeld op een zitting op 17 november 2025, waarbij partijen niet verschenen. De Raad heeft vastgesteld dat het griffierecht in hoger beroep niet was betaald en dat de argumenten van appellante in het verzet hier niets aan konden veranderen. De Raad had eerder verzocht om een schriftelijke machtiging van de echtgenoot, maar deze was niet ondertekend, waardoor de Raad geen aanleiding zag om de correspondentie aan de echtgenoot te sturen.
Uiteindelijk heeft de Raad geoordeeld dat er geen reden was om te concluderen dat appellante niet in verzuim was geweest. Het verzet is ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gedaan en ondertekend door mr. K.H. Sanders, met H. de Brabander als griffier.