Appellante, geboren in 1979, heeft zich in mei 2023 gemeld bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam voor opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college wees de aanvraag af omdat appellante voldoende zelfredzaam is. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en handhaafde het besluit.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij vanwege huiselijk geweld met haar kinderen naar Nederland is gekomen en niet in staat is zich zelfstandig te handhaven. Zij woont sinds juli 2023 in een antikraakwoning, maar de duur hiervan is onzeker. Haar kinderen verblijven bij haar zwager, die heeft aangegeven dat dit niet langer mogelijk is. Het college stelde dat appellante geen procesbelang heeft omdat zij zelf voor onderdak heeft gezorgd.
De Raad oordeelt dat appellante wel procesbelang heeft, maar dat zij geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. De Raad sluit zich aan bij de rechtbank dat appellante voldoende zelfredzaam is en dat het probleem vooral een huisvestingsprobleem betreft, waarvoor de Wmo 2015 niet bedoeld is. De belangen van de kinderen zijn meegewogen, maar bieden geen grond voor opvang. Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit blijft in stand.