ECLI:NL:CRVB:2026:185
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Rente over studielening valt niet onder Richtlijn Consumentenkrediet
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om rente te heffen over zijn studielening op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Hij stelde dat de minister niet had voldaan aan de informatieplicht uit de Richtlijn Consumentenkrediet, waardoor de kredietovereenkomst vernietigbaar zou zijn. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en het besluit in stand gelaten.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat studieleningen verstrekt op grond van de Wsf 2000 niet onder de reikwijdte van de Richtlijn Consumentenkrediet vallen. Dit volgt uit artikel 2, lid 2, onderdeel l van de richtlijn, dat leningen met een doelstelling van algemeen belang aan een beperkt publiek tegen gunstigere voorwaarden dan de markt uitsluit.
De Raad oordeelde dat de studiefinanciering aan een duidelijk afgebakende groep studenten wordt verstrekt, met gunstige voorwaarden zoals een lagere rente, ruime aflossingsmogelijkheden en kwijtschelding bij overlijden. De argumenten van appellant over de omvang van het publiek en de rentevergelijken werden verworpen. De Raad zag geen reden om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen en bevestigde het bestreden besluit. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat studieleningen op grond van de Wsf 2000 niet onder de Richtlijn Consumentenkrediet vallen en dat appellant rente moet betalen.