ECLI:NL:CRVB:2026:17

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/2488 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de niet-ontvankelijkheid van een bezwaar tegen besluiten van het Uwv inzake WW-uitkering en boete

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De appellant, woonachtig in het Verenigd Koninkrijk, had bezwaar gemaakt tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) van 22 januari 2016, waarbij zijn WW-uitkering werd herzien en een boete werd opgelegd. Het Uwv verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaarschrift te laat was ingediend, namelijk op 10 mei 2023, terwijl de termijn voor indienen op 6 maart 2016 eindigde. De rechtbank bevestigde deze beslissing, wat leidde tot het hoger beroep van de appellant.

Tijdens de zitting op 27 november 2025 werd de zaak behandeld, waarbij de appellant via een online videoverbinding aanwezig was en het Uwv vertegenwoordigd werd door mr. M. Sluijs. De Raad oordeelde dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was, aangezien de appellant eerder contact had gehad met het Uwv over de terugvordering van de te veel betaalde uitkering. De Raad concludeerde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de appellant niet tijdig bezwaar had gemaakt en dat er geen reden was om de termijnoverschrijding als verschoonbaar te beschouwen. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, en de appellant kreeg geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 oktober 2024, 23/5415 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] , Verenigd Koninkrijk (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 januari 2026

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 22 januari 2016 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Het bezwaarschrift is niet binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken ingediend en de termijnoverschrijding is niet verschoonbaar.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 november 2025. Appellant is verschenen via een online videoverbinding. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Bij besluit van 22 januari 2016 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Werkloosheidswet (WW) herzien over de periode van 1 september 2014 tot en met 12 april 2015 in verband met inkomsten uit arbeid en een bedrag van € 2.242,05 aan volgens het Uwv te veel betaalde WW-uitkering teruggevorderd.
1.2.
Bij een ander besluit van 22 januari 2016 heeft het Uwv aan appellant een boete opgelegd ter hoogte van € 1.130,- omdat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 12 april 2015 heeft gewerkt.
1.3.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. Het Uwv heeft dit bezwaarschrift op 10 mei 2023 ontvangen. Met het besluit van 29 augustus 2023 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 22 januari 2016 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend en deze termijnoverschrijding volgens het Uwv niet verschoonbaar is.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
2.1.
De rechtbank heeft overwogen dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt en aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Omdat de primaire besluiten in deze zaak van 22 januari 2016 zijn, had appellant tot en met 6 maart 2016 om zijn bezwaarschrift in te dienen. Het bezwaarschrift van appellant is door het Uwv pas op 10 mei 2023 ontvangen en is daarom te laat ingediend. Verder heeft de rechtbank het Uwv gevolgd in het standpunt dat aannemelijk is dat appellant de primaire besluiten heeft ontvangen of in ieder geval op de hoogte was van de inhoud en de gevolgen van de primaire besluiten. Appellant heeft na 22 januari 2016 vele contactmomenten gehad met het klantcontactcentrum van het Uwv over de terugvordering. Appellant heeft bijvoorbeeld op 5 februari 2016 zelf contact opgenomen met het Uwv. Ook blijkt uit het dossier van een contactmoment op 24 oktober 2016
.Er is een betalingsregeling met appellant getroffen en hij heeft op 1 november 2016 een formulier inkomens- en vermogensonderzoek ingevuld en geretourneerd en heeft niet tijdens een gesprek of enig ander moment genoemd dat hij de beslissing niet heeft ontvangen. Uit het voorgaande volgt volgens de rechtbank dat appellant eerder – zelfs binnen zes weken na de primaire besluiten – bezwaar had kunnen maken. Er is daarom geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft opnieuw aangevoerd dat de besluiten van 22 januari 2016 door hem nooit zijn ontvangen. Pas zeven jaar na de besluiten heeft het Uwv contact met hem opgenomen via de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk.
Het standpunt van het Uwv
4. Het Uwv heeft gevraagd om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de nietontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 22 januari 2016 in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. De Raad voegt daar nog aan toe dat hij met name van belang acht dat appellant, zoals hij ter zitting van de Raad heeft bevestigd, op 5 februari 2016 – dus nog ruim binnen de termijn van zes weken na de besluiten van 22 januari 2016 – telefonisch contact heeft opgenomen met het Uwv om met het Uwv te bespreken hoe hij de vordering van het Uwv zou kunnen voldoen. Vervolgens heeft telefonisch contact plaatsgevonden over een betalingsregeling, heeft het Uwv appellant via zijn gewezen partner een formulier inkomens- en vermogensonderzoek verstrekt en heeft appellant dit formulier ingevuld en ondertekend naar het Uwv teruggestuurd. Het Uwv heeft dit formulier op 1 november 2016 ontvangen. Niet valt in te zien hoe dit te rijmen valt met de stelling van appellant dat hij niet op de hoogte was van de besluiten van 22 januari 2016. Appellant heeft hiervoor desgevraagd ter zitting ook geen verklaring kunnen geven.

Conclusie en gevolgen

6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellant in stand blijft.
7. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) D.M.A. van de Geijn

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 6:7
De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Artikel 6:8
1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
[…]
Artikel 6:11
Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.