ECLI:NL:CRVB:2026:167

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
25/167 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 WuvWet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding yogalessenkosten wegens ontbreken lidmaatschap erkende beroepsvereniging

Appellant, een vervolgingsslachtoffer met psychische en lichamelijke klachten, verzocht vergoeding van yogalessenkosten over januari tot mei 2024. Verweerder weigerde deze vergoeding omdat de yogadocent geen lid is van een erkende beroepsvereniging, een vereiste volgens het beleid.

De Raad bevestigt dat op grond van de Wuv vergoeding kan worden toegekend voor noodzakelijke voorzieningen, maar dat verweerder kwaliteitseisen mag stellen, waaronder het lidmaatschap van een erkende beroepsvereniging voor niet-medische therapeutische voorzieningen zoals yogalessen.

Hoewel appellant al jarenlang yogalessen vergoed krijgt, is het beleid sinds de jaren ’90 dat vergoeding slechts voor maximaal één jaar en bij lidmaatschap van een beroepsvereniging geldt. De Raad oordeelt dat verweerder terecht het verzoek afwijst en dat appellant geen recht heeft op vergoeding van de kosten over de gevraagde periode.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot vergoeding van yogalessenkosten blijft in stand.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)
Datum uitspraak: 12 februari 2026

SAMENVATTING

Verweerder heeft in deze zaak geweigerd de kosten van yogalessen over een periode van januari tot en met mei 2024 te vergoeden, omdat de betrokken yogadocent geen lid is van een erkende beroepsvereniging. Deze weigering houdt stand.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. C. Lamphen, advocaat, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 10 december 2024, kenmerk BZ011680262 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wuv. [1]
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 15 januari 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lamphen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, geboren in 1940, is vervolgde in de zin van de Wuv. Verweerder heeft aanvaard dat appellant psychische klachten, rug-, nek- en oogklachten heeft die in verband staan met de vervolging. Aan appellant zijn in de loop van de tijd verschillende voorzieningen toegekend, waaronder vanaf 1993 een vergoeding van de kosten voor yogalessen, eenmaal per week. Deze lessen volgt appellant al vanaf het begin van de jaren ’90 tot heden.
1.2.
In juli 2024 heeft appellant verzocht de kosten te vergoeden van een aantal yogalessen die hij heeft gevolgd in de periode van januari tot en met mei 2024. Appellant heeft daarbij aangegeven dat hij vanwege ziekte van zijn vaste yogadocente met ingang van januari 2024 de lessen volgt bij mevrouw [yogadocente] , [Yogacentrum] .
1.3.
Met een betalingsbeschikking van 8 augustus 2024 heeft verweerder het verzoek afgewezen op de grond dat [yogadocente] geen lid is van een erkende beroepsvereniging. Het hiertegen gemaakte bezwaar is met het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Het oordeel van de Raad

2. De Raad beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de argumenten die appellant in beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt.
2.1.
Op grond van artikel 20 van Pro de Wuv heeft een vervolgde – voor zover hier van belang – aanspraak op volledige vergoeding van de extra kosten van noodzakelijke voorzieningen in verband met de uit de vervolging voortvloeiende ziekten of gebreken.
2.2.
In het kader van het vergoeden van yogalessen hanteert verweerder een beleid dat voor zover voor deze zaak van belang inhoudt dat de yogadocent lid moet zijn van een erkende Nederlandse beroepsvereniging.
2.3.
Verweerder beoogt met dit beleid dat adequate en kwalitatief goede zorg wordt verleend. Dit wordt zoveel mogelijk gewaarborgd door het stellen van het vereiste dat een behandelaar over de juiste kwalificaties beschikt. Een BIG-registratie en het aangesloten zijn bij een beroepsvereniging waarborgen dit. Een yogadocent behoort evenwel niet tot de in artikel 3 van Pro de Wet BIG [2] genoemde beschermde beroepen. Wat verweerder in het geval van een yogadocent in dit kader verlangt is het lid zijn van een erkende beroepsvereniging.
2.4.
Vaststaat dat de yogadocent die de bewuste declaraties heeft afgegeven geen lid is van een beroepsvereniging. Weliswaar beschikt deze docent over de nodige kennis, kunde en ervaring maar dat doet niet af aan het feit dat zij geen lid is van een beroepsvereniging.
2.5.
Het volgen van yogalessen wordt door verweerder aangemerkt als een niet strikt medische therapeutische voorziening. Het is vaste rechtspraak [3] dat verweerder bij toekenning van dergelijke voorzieningen gerechtigd is kwaliteitseisen te stellen. Dat geldt voor onder meer het lid zijn van een beroepsvereniging. Deze eis geldt sinds einde jaren ’90. Ook geldt de eis dat de yogalessen slechts worden vergoed voor een beperkte periode (maximaal één jaar), waarin de lessen bovendien maximaal één keer per week mogen worden gevolgd.
2.6.
Door het voortzetten van de vergoedingen over een periode van jaren, ook na de beleidswijziging eind jaren ’90, is verweerder in het voordeel van appellant afgeweken van zijn beleid als hiervoor onder 2.5 geschetst, nu yogalessen maximaal voor één jaar worden vergoed. In het betoog van appellant dat verweerder bij het afwijzen van de verzochte vergoeding voor de bewuste declaraties niet in de geest van de wet heeft gehandeld en dat verweerder geen oog heeft voor de bijzondere belangen van oorlogsslachtoffers zoals hij, volgt de Raad appellant dus niet, nu appellant al in ruime mate is tegemoetkomen.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep slaagt dus niet. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
4. Omdat het beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond
.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
(getekend) H. Lagas
(getekend) M.S. van Veller

Voetnoten

1.Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945.
2.Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.
3.Uitspraak van 3 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6529.