ECLI:NL:CRVB:2026:164
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wegens voorliggende voorziening en ontbreken zeer dringende redenen
Appellante, die sinds 2016 bijstand ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor orthodontiekosten van haar minderjarige zoon. Het college wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening geldt en er geen zeer dringende redenen waren om af te wijken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het college ten onrechte geen vergoeding gaf voor kosten in bezwaar en dat er wel dringende redenen zijn vanwege de schrijnende situatie van haar zoon. De Raad oordeelde dat dit een herhaling was van eerdere gronden en dat appellante onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens had geleverd om de ernst van de situatie aan te tonen.
De Raad nam de overwegingen van de rechtbank over, waaronder dat de medische behandeling al was uitgevoerd en betaald vóór de aanvraag. Ook werd gewezen op de wettelijke regeling dat kosten in bezwaar alleen vergoed worden bij herroeping van het besluit wegens bestuursorgaanfouten. Het hoger beroep werd afgewezen en de afwijzing van de bijzondere bijstand bleef in stand.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wordt bevestigd wegens het ontbreken van zeer dringende redenen en de aanwezigheid van een voorliggende voorziening.